Ziekte en dood
Deze webpagina zal ik wijden aan de ontwikkelingen en vooral dwalingen van
mensen (en naamgenoten) op zoek naar gezondheid en zo mogelijk het eeuwige
leven.

De middeleeuwse samenleving was voortdurend onderhevig aan epidemieën,
ziekten en natuurrampen, waartegen men weinig of geen verweer had. Misoogsten
met hongersnood tot gevolg waren een reëel gevaar. Hoewel de pest minder hard
had toegeslagen in de Nederlanden dan in andere delen van Europa, was ze toch
niet volledig afwezig gebleven, en werd ze in de Middeleeuwen nooit echt
overwonnen. Na de eerste grote vlaag was ze immers endemisch geworden, wachtend
op een verzwakte bevolking om opnieuw toe te slaan. Het dagelijkse leven
betekende voor de meeste middeleeuwers een strijd om te overleven.
De medische kennis was zeer beperkt. Ziekte en dood waren overigens het terrein
van God. Er waren twee soorten geneeskundigen. Vooreerst had men de theoretici,
de doctores medicinae. Volgens hen werden ziekten veroorzaakt door wijzigingen
in warmte, koude, droogte of vochtigheid. Daar werden bovendien demonen, geesten
en allerlei bijgeloof aan toegevoegd. Problematisch in verband met deze
gebrekkige kennis van ziekten was dat contacten tussen geleerden onderling erg
moeizaam gingen. Naast deze officiële geneeskundigen stonden de
barbiers-chirurgijnen als practici klaar om de mensen te helpen. Deze meesters
deden allerlei ingrepen met het mes, verzorgden wonden en zweren, behandelden
breuken en voerden ook amputaties uit. Er was geen contact tussen de doctores en
de chirurgijnen. Eén van de gevolgen van deze geringe medische kennis was dat
voor de middeleeuwer het begrip dood-zijn breder werd opgevat dan nu het geval
is.

De Zwarte Dood
De Zwarte Dood, de bijnaam van de pest, doodde alleen al tussen
1347-1351 éénderde van de Europese bevolking. Eeuwenlang bleef de ziekte
eindeloos veel slachtoffers eisen. De zwarte rat, of beter gezegd zijn vlo, was
de grote boosdoener. Maar dat wist niemand.
Dat deze pestvlo niet werd opgemerkt, was niet zo vreemd. In de Middeleeuwen,
maar ook nog eeuwen daarna, krioelde het van het ongedierte. Er waren altijd wel
een paar ratten of muizen in huis. Vlooien en luizen nestelden zich graag in het
beddenstro.
Eén beet van een besmette vlo was al genoeg. Er ontstond een puistje dat
uitgroeide tot een zwarte zweer, een karbonkel. Dan zetten de lymfeklieren in de
liezen, of oksel en nek op en werden heel pijnlijk. Acute bloedvergiftiging en
hevige koortsen waren het gevolg. Daarna ontstonden nieuwe karbonkels, begonnen
slijmvliezen en ingewanden te bloeden en kreeg de pestlijder onderhuidse vlekken
in allerlei kleuren. Hij raakte in coma en overleed.
Talloze boekjes werden volgeschreven met tips en huismiddeltjes, en
pestlijders werden apart gezet. De ziekte verdween opeens in de zeventiende
eeuw; waarom blijft een raadsel.

Kwakzalverij

Al heel vroeg in de geschiedenis waren mensen bezig met ziekte en dood. De
hiernaast afgebeelde omslag van het boekje dat onlangs verschenen is in het
kader na het 125 jarig bestaan van de Vereniging tegen de Kwakzalverij
illustreert dat het anno 2005 niet veel anders is dan toentertijd: veel twijfels
en zoeken naar het eeuwige leven.
In dit boek heeft de wetenschapsjournalist Hans van Maanen lichtvoetige eb
diepgravende opstellen verzameld over bekende en minder bekende aspecten van de
kwakzalverij. Niet alleen moderne verleidingen als Therapeutic Touch, de
vrouwenziekte HPU en advertenties voor afspankmiddelen, maar ook de klassieke
favorieten als homeopathie, antroposofie en het Moermandieet.
Hans van Maanen, Uitgeverij Boom,
www.uitgeverijboom.nl, ISBN: 90 8506 1687
't Genezen van patiënten is het monopolie van de artsen. Wie, niet-erkend, te
kennen geeft pijnen te verzachten en kwalen te verhelpen, bestempelt zich
daarmee automatisch tot een kwakzalver, een gevaar voor de volksgezondheid.
Toch is kwakzalverij een fascinerende aangelegenheid. Studie hierover voert ons
terug tot de nevelen der oudheid, tot magische opvattingen over ziekte en
gezondheid. Wie de kwakzalverij gaat onderzoeken raakt daarbij het wezen der
geneeskunst en die was - zo luidt het gezegde - veel ouder dan de geneesheer.
Wat is een kwakzalver?
Het antwoord hierop geeft Koerbagh in zijn Bloemhof van allerley lieflyckheyd....
(1668),
Hij is een landloopend geneesmeester of liever geneesswetser, die dapper onder
't voortbrengen van veel kwakken en klugten, swetsen en opsnyen kan by 't
gemeene volk op de markten van de kragten van syn heel-smeer of salf, en roemen,
dat hy der byna allerley kwaaie mede geneesen kan.
De quack- of lapsalver was dus een praatjesmaker, een vlotte bedrieger die het
volk voor het lapje hield (lap = dwaas). Het gezegde luidde niet voor niets
"liegen als een quacksalver" en ook Vondel schreef over "zwetsen gelijck de
quackzalvers om hun zalfpotten venten". Een in de middeleeuwen gebezigde naam
was die van Mr Kackadoris. Soms gebruiken we het woord nog steeds : dat is een
vreemde Kackadoris. Fatsoenlijker werd die naam later veranderd in Mr Cocadons,
maar in wezen bedoelde men hetzelfde. In de middeleeuwen was een kakkadoor de
benaming voor een nachtstoel, een stilletje oftewel een kamertoilet.
Wanneer men weet dat in die dagen urine, nagels, haren, spinnekoppen en
ontlasting een belangrijke rol speelden in de geneeskunde - men sprak wel van
drek-apotheek - dan begrijpt men tevens de benaming van Mr. Kackadoris voor een
kwakzalver
Een vermakelijk schouwspel boden zij wel, die oude marktkwakzalvers. Voor
Teniers, Jan Steen, van Ostade waren zij dankbare schildersobjecten. Op
afbeeldingen ziet men die kwakzalvers staan, op een tafel of een platform,
gehuld in veelkleurige gewaden en behangen met kettingen en medailles. Rondom
hen liggen de attributen van de genezers- de flesjes en retorten met medicijnen,
de zalfpotten, de gedroogde kruiden, de instrumenten en... niet te vergeten...
het doodshoofd, teken van anatomische kennis.
Om het publiek te lokken werd luide de trom geroerd of de trompet gestoken. De
knechten sprongen rond in zotspakken, "een hansop int kaeckelbont gewaet" zo
schreef een zeventiende eeuws dichter.
Van alle zijden stroomde het volk toe om al dat "gequaeck" te beluisteren en
zich te verlustigen. Misschien ook, omdat men hoopte op genezing. Hoort wat die
kwakzalver alzo verkondigde:
'k Heb eertijds den Mogol van 't podagra geneezen
En Sultan Amurat (hoc juro), die voor dezen
Was van een dollen hond gebeeten in de scheen,
Die sneed ik 't been van 't lijf, en aanstonds liep hij heen
Ik kon den grand Vizier, gekraakt door 't stranguleeren,
Door kracht van mijn tinktuur post obitum kureeren
Sic latei ars, Mesjieurs, in meo capité
Daar is een fles, Mesjieurs, met sal volatile
Dat maakt zwaarmoedig bloet weer vluchtig bij 't gebruiken,
Een slaapent krijgsman wordt gewekt alleen door 't ruiken
En zo bralde hij maar door, niet geheel zinloos overigens. De clowneske manieren
bijvoorbeeld, vindt men terug in primitieve indiaanse geneeswijzen. Het is een
aloude methode om ziekten uit te bannen door het ridiculiseren van de
ziekteverwekkende geesten.
Die oude charlatans (Italiaans, ciarlatano = kwakzalver, goochelaar, bedrieger)
wisten maar al te goed hoe zij het volk konden imponeren en hoe zij gebruik
moesten maken van de verhoogde suggestibiliteit die nu eenmaal in een menigte
ontstaat. Als alle suggesties zullen hun successen nooit blijvend zijn. Vandaar
dat de kwakzalvers altijd op doorreis waren, van de ene kermis naar de andere.
De kwakzalvers behandelden niet alleen patiënten, zij stelden ook diagnoses,
vaak zonder de zieke ook maar gezien te hebben. Tot die diagnostische methoden
horen het pis- of waterkijken en het pendelen. De oorsprong van het waterkijken
of de uroskopie is gelegen in de zuivere observatie van ziekelijke
veranderingen. Op assyrische kleitabletten bijvoorbeeld vindt men reeds de
veranderingen die in de urine optreden wanneer de patiënt gonorrhoe (een
geslachtsziekte) heeft, vermeld.
In het oudste Egyptische medische geschrift, papyrus Ebers, staan diverse
veranderingen in de urine beschreven, die bij ziekte kunnen optreden.
Zo is er de bloedsmenging bij de ziekte aaa, een aandoening waarvan men thans
weet dat het een worminfectie (bilharziose) is, waarbij de unneblaas is
aangetast.
In oorsprong was het waterkijken dus realiteit. Gedurende de middeleeuwen
veranderde het karakter der uroskopie. Men probeerde uit de kleur der urine, uit
de plaats en de aard van het neerslag allerlei kwalen af te leiden. De fantasie
vierde daarbij hoogtij, zoals blijkt wanneer men uit de urine het bestaan van
gebroken ledematen of van liefdesverdriet poogde te voorspellen. Het beeld van
de arts met het urineglas in de hand werd een geliefd onderwerp voor schilders
uit de zestiende, zeventiende eeuw.
Langzamerhand geraakte de uroskopie in diskrediet. "Hij siet, al vraeght hij
niet", zo spotte Petrus Baardt in zijn Deughdenspoor (1645).:
Hoe groot je milt, hoe groot je maegh,
Hoe groot je longh hoe groot je craegh,
Hoe groot je hart, hoe groot je blaes,
Hoe groot je breyn, al waer je dwaes
Met dank aan Aad
Engelfriet

Dante's hel
Dat er in Dante's hel een zeer ongunstige plek voor kwakzalvers is
gereserveerd, mag zo langzamerhand wel bekend worden geacht. Kwakzalvers als
archetype komen voor in zeer veel oude verhalen, vanaf de Griekse oudheid, via
de middeleeuwen en latere bloeiperioden uit de beschaving tot aan de
tegenwoordige tijd aan toe. Met Dante en Shakespeare kan Goethe gerekend worden
tot de Grote Drie van de wereldliteratuur aller tijden. Met zijn Faust schreef
Goethe een verhaal, dat wegens zijn universeel-menselijke thema ook thans nog
velen weet te boeien en kunstenaars nog altijd inspireert tot eigentijdse
reprises van het Faust-thema. Minder bekend is dat er ook een beroemd kwakzalver
Faust is geweest, die rond 1480 in Wurtenberg werd geboren. Hij studeerde magie
(de Stichting Homeopathische Opleidingen bestond natuurlijk nog niet, red.) en
werkte als kwakzalver en waarzegger, waarbij hij zulke merkwaardige resultaten
boekte, dat tijdgenoten hem verdachten van een pact met de duivel. Toch heeft
deze Faust in Duitsland niet de status van de prototypische kwakzalver gekregen.
De Duitse oerkwak, die ook teruggaat op een historische figuur is al sinds ruim
250 jaar 'Doktor Eisenbart'. Deze anti-held, die in 1661 in het Beierse dorpje
Oberviechtach werd geboren en in 1727 overleed te Münden, figureert in talrijke
liedjes en was hoofdfiguur in een roman, in verhalen en zelfs in een opera. Het
beroemde satirische lied 'Ich bin der Doktor Eisenbart', dat hieronder staat
afgedrukt is al te vinden in 19de eeuwse bundels van studentenliederen. Hij zou
tijdens zijn leven een succesvol genezer zijn geweest met een praktijk als
oculist, breukmeester en steensnijder. Toch werd hij vooral beroemd om zijn
volgens de overlevering zeer fantasierijke marktpleinopstelling en show, die in
talrijke liedjes is geparodieerd. In het kader van de serie Bijdragen aan de
Geschiedenis van de Kwakzalverij hier, afkomstig uit Ludwig Erk's Deutscher
Liederschatz, de klassieker over de dokter met de ijzeren baard.
Ich bin der Doktor Eisenbart;
Kurir' die Leut' nach meiner Art;
Kann machen, das die Blinden geh'n,
Und das die Lahmen wieder seh'n.
Des Küsters Sohn in Dideldum,
Dem gab ich zehn Pfund Opium;
D'rauf schlief er Jahre, Tag und Nacht,
Und ist bis jetzt noch nicht erwacht.
Es hätt' ein Mann in Langensalz'
Ein'n zentnerschweren Kropf am Hals;
Den schnurrt' ich mit dem Hemmseil zu:
Probatum est! er hat jetzt Ruh'.
Das is die Art, wie ich kurir',
Sie ist probat, ich bürg dafür;
Dass jedes Mittel Wirkung tut,
Schwörr' ich bei meinem Doctorhut!
Een fraaie vertolking van dit lied door Aldo di Tullio is te horen op de niet
meer makkelijk te vinden langspeelplaat Quacks, Quirks and Quick Remedies, een
collector's item voor kwakzalverijbestrijders.
Zie verder de website van de Vereniging tegen de Kwakzalverij


In Nederland zijn er nog een aantal organisaties meer die zich actief
bezighouden met de bestrijding van kwakzalverij:
