Omhoog Inhoud

 
 Misdaad en Straf

 

Start
Van Dinther
Van Dinter
Van Dinteren

Oog om oog, tand om tand

In de Germaanse tijd en de vroege Middeleeuwen voelde elk individu zich verantwoordelijk voor de veiligheid van zichzelf en zijn familie. Er was nog geen overheid die het voor hem opnam en die over voldoende machtsmiddelen beschikte om haar onderdanen te beschermen tegen onverlaten.
Iedereen was op zichzelf en de steun van de mensen om hem heen aangewezen. Onrecht moest daarom door de benadeelde partij of diens familie zelf worden gewroken. Deed men dat niet, dan bleef het kwaad ongestraft.
De Romeinse schrijver Tacitus beschreef deze manier van rechtsdenken in zijn boek Germania. ‘Het is voor hen noodzakelijk zowel vijandschappen als vriendschappen over te nemen, hetzij van de vader, hetzij van een bloedverwant. Toch blijven zij niet onverzoenbaar; zelfs doodslag kan met een vastgesteld aantal groot- en kleinvee worden afgekocht. De gehele familie ontvangt een deel van deze zoensom. Dat is goed voor de gemeenschap, want niets wordt meer gevreesd dan langdurige vetes’.
Met de opkomst van de Karolingische macht, het landsheerlijke gezag en de steden kwam aan dit eigenrechtig optreden geleidelijk een einde en wierp de overheid zich steeds meer op als (scheids)rechter bij conflicten tussen haar onderdanen.

 

 

 

 

 

 

 

 

De uitvergrote wreedheid

Denkend aan middeleeuwse straffen zien velen de bloedigste taferelen voor zich: afgehakte hoofden, verminkte en geradbraakte lichamen, afgesneden oren, neuzen en lippen, geblakerde lijken op de brandstapel en gillende slachtoffers die worden ondergedompeld in ketels met kokend pek. Toch is dit een vertekend beeld. Wie leest in middeleeuwse keur- en wetboeken schrikt inderdaad van de zware en in onze ogen zeer wrede straffen. Maar net als in ons Wetboek van Strafrecht gold ook toen dat het om maximum straffen ging. Ook de middeleeuwse rechter had alle vrijheid van die maxima af te wijken en een milder vonnis te vellen. Deed hij dat niet, en koos hij voor de zwaarste strafmaat, dan werd dat door de kroniekschrijvers als opmerkelijk beschouwd en genoteerd. Net als nu was het ook toen verleidelijk alles wat afweek van het normale vast te leggen en het alledaagse onvermeld te laten omdat het de moeite van het noteren niet waard leek. Latere auteurs raadpleegden deze kronieken en hadden op hun beurt de neiging de vermelde uitzonderingen tot regel te verheffen. Met de wreedheid van de opgelegde straffen viel het in feite wel mee, ook al omdat de middeleeuwse rechters liever geld zagen dan bloed. Aan het laatste hadden zij niks, aan het eerste wel omdat ze een deel van de boete in eigen zak mochten steken.

Te kijk gezet

Een speciale categorie straffen, vaak opgelegd in combinatie met een geldboete, waren de zogeheten ‘onterende straffen’
Een vrij vaak toegepaste straf, vooral voor vrouwen, was het dragen van de schandsteen. Met zo’n steen op de rug, of vastgemaakt aan een riem om de hals, moest de vrouw een voorgeschreven route door de gemeente afleggen. Ze werd daarbij vergezeld door een joelende menigte. Een stel schandstenen uit het Zeeuwse Oud-Vossemeer, met een afbeelding van het stadswapen.
Op de foto een stel schandstenen uit het Zeeuwse Oud-Vossemeer, met een afbeelding van het stadswapen. Anderen werden enige uren aan de kaak gesteld (aan de schandpaal te kijk gezet) of vastgebonden in een schandstoel of schandmantel. In beide gevallen kreeg het publiek de gelegenheid het slachtoffer de huid vol te schelden of te bekogelen met vuil.
 

 

 

 

Een bijzondere onterende straf was de schopstoel. Dat was een soort verhoogd schavot waarop de veroordeelde moest plaatsnemen, om er vervolgens vanaf te worden geschopt in een hoop modder en vuil.
Op het schilderij linksonder (Jan A. van Beerstraten, Gezicht op de markt te 's-Hertogenbosch uit 1665): In ‘s-Hertogenbosch stond vroeger op de markt een draaikooi waarin overspelige vrouwen te kijk werden gezet.

In ‘s-Hertogenbosch stond vroeger op de markt een draaikooi waarin overspelige vrouwen te kijk werden gezet.De ijzeren maagd was hol en in de vorm van een vrouw. Daarin waren messen bevestigd waardoor de ketter in een bijna altijd dodelijke omarming verminkt raakte.

Doodstraf

Op 10 mei 1805 zijn de mannen voor het stadhuis van Den Bosch opgehangen. De vrouwen en de jongen werden veroordeeld tot het tuchthuis.
In het doopboek van Duizel vermeldde pastoor Kools het volgende 'ad memoriam':

doopboek Duizel 1730-1805

 

Ad memoriam:
Zes inwoners uit Steensel en Knegsel zijn in Den Bosch door de hand van de beul geworgd, met name: Joost de Roij, Heyn Coenen, Piet en Bartel Smolders, broers, Coob van de Weijer en zijn zoon Gerrit. 's Anderendaags zijn twee medeplichtige vrouwen gegeseld, gebrandmerkt en tot het tuchthuis veroordeeld.

 

Het einde van de doodstraf in Nederland

Na een parlementair debat van bijna 7 dagen werd in 1870 de doodstraf in Nederland afgeschaft omdat die "wreed en onbeschaafd" gevonden werd. In de 10 jaar daarvóór was de doodstraf overigens al niet meer uitgevoerd...
De allerlaatste terechtstelling had op 31 oktober 1860 in Maastricht plaatsgevonden. Johan Nathan, veroordeeld voor de moord op zijn schoonmoeder, was die dag om 10.00 uur 's ochtends opgehangen. Hieronder vind je een overzicht van de laatste 10 executies die in ons land werden voltrokken.
 

Naam Geslacht Leeftijd Misdrijf Provincie Jaar
Nathan, J. man 27 moord Limburg 1860
Pijnacker, P. man 37 doodslag Zuid-Holland 1860
Graaf, Y. de man 46 moord Friesland 1859
Geurts, P. man 23 moord Limburg 1857
Klerk, A. de man 47 ?? Noord-Brabant 1856
Jong, C. de man 57 diefstal Noord-Brabant 1856
Blom, A. man 31 doodslag Zuid-Holland 1856
Beekman, H. man 50 brandstichting Gelderland 1855
Kemper, J. man 22 doodslag Noord-Holland 1854
Loeil, J. de man 58 doodslag Zeeland 1849


In 1880 volgde nog een mislukte poging de doodstraf opnieuw in te voeren. De toenmalige Minister van Justitie Modderman had er dit over te zeggen: "De soms nog enigszins barbaarse, soms nogal variabele publieke opinie mag geen criterium zijn om recht van onrecht te onderscheiden."
Toch werd direct na de Tweede Wereldoorlog de doodstraf tijdelijk weer ingevoerd. Er werden zo'n 190 doodvonnissen tegen oorlogsmisdadigers en collaborateurs uitgesproken. In een geheime regeringsnotie stond echter nadrukkelijk dat het aantal executies beperkt moest blijven tot "enkele tientallen". Uiteindelijk werden 43 mensen geëxecuteerd; de laatste op 21 maart 1953.

Geen echte kerel zonder het Wapen van Osch

In Oss gingen maar weinig kermissen en jaarmarkten voorbij waarop niet met het mes gevochten werd. De slachtoffers kregen dan een rood lintje en werden getekend met het zogenaamde Wapen van Osch, een inkerving, liefst kruisvormig op het gezicht. De knapste bekkesnijder droeg een hoed met daarop een mes en een haneveer. Hij had bij feesten een ereplaats als voorvechter. Opdat hij zijn eer kon verdedigen werd een tweede mes uitdagend boven de deur van de herberg of aan een balk in de gelagkamer bevestigd. Het was voor het dorp een eer om over een bekkesnijder te beschikken tegen wie niemand het op durfde te nemen. J. van Lennep en J. ter Gouw schrijven in 1868:

't Moest een mes zijn zonder punt, want het bekkesnijden was geen moordenaars of wildemanswerk; het geschiedde als elk andere kunst, naar vaste regels, en op voorwaarden, waar niet van afgeweken werd. En die kunst stond in zoo hoge achting, dat het jonge vrouwvolk van een vrijer walgde, die niet een half maantje, een rood lintje of een kruisje in zijn tronie kon laten zien.

Aan het einde van de 19e eeuw verwordt het ruwe volksgebruik en treft men in de gerechtelijke dossiers steeds meer delicten met dodelijke buiksteken aan.

Volksgerichten


‘Nog nauwelijks was het duister gevallen of hier en daar hoorde men reeds het “trompetgeschal”. Bodemlooze kruiken verrichten hiertoe uitstekend haar diensten, oude gieters en emmers moesten meehelpen om aan het geluid de meest mogelijken luister te geven en een talrijke menigte bijeen te verzamelen.’
Bericht in de Zuid-Willemsvaart 20 september 1890

Op zaterdagavond verzamelt zich bij de woning van boer Cornelis Walraven in Aarle bij Best een groot aantal personen. Ze schreeuwen en slaan op ketels en trommels. Ze beuken met knuppels op vensters en op de deur van het huis. Telkens als Walraven naar buiten wil gaan, worden er stukken hout naar hem gegooid, waardoor hij en zijn huisgenoten wel binnen moeten blijven. De baldadigheden duren tot laat in de nacht. Wanneer men 's morgens de schade opneemt blijkt de zich buiten het huis bevindende WC omver gehaald te zijn. Uit de wand van het karhuis zijn latten en stro gehaald. Er is hennep gemaaid en vernield, de peren zijn van de boom in de tuin geslagen en twee karren zijn in een modderpoel gezet. Dit alles omdat Walraven op een huwelijksaanzoek was terug gekomen. Er worden acht jongelui aangehouden. Archief Provinciaal Hof. vonnis van 31-1-1855

Tafelpartij in de Kempen Zandoerle 1952. Wij bevinden ons hier in het schemergebied tussen recht en onrecht. Ongewenste gedragingen die afweken van de geldende normen in het dorp werden volgens een vast patroon van handelingen bestraft. In Oost-Brabant kende men twee varianten: het ploegspannen en het tafelen.
Het ploegspannen was voornamelijk gericht tegen de man die zijn vrouw slecht behandelde of zijn gezin verwaarloosde. Deze straf was heel vernederend. Men sleepte de man aan zijn haren het huis uit, spande hem voor de ploeg en dwong hem zijn eigen erf om te ploegen. De vrouwen speelden hierbij een actieve rol, hanteerden de zweep en maakten veel lawaai. Nog lang konden de voorbijgangers aan de ongelijke grond zien wat er voorgevallen was.
Het tafelen richtte zich tegen tegen woordbrekers, zoals bij het niet gestand doen van een huwelijksaanzoek. Het tafelen is een soort afschrikwekkend straattheater. Boerenkarren werden rond het huis opgesteld en barricadeerden de uitgangen. In de dakgoot werd een royaal met uitwerpselen en kaf gelardeerde strooien pop, die het slachtoffer moest voorstellen, ten toon gesteld. Dit alles onder geschreeuw en ketelmuziek en vernielingen op erf en aan huis.
Al in de achttiende eeuw zag de overheid deze ongeoorloofde vorm van rechtuitoefening met toenemende zorg aan, maar nog tot ver in de twintigste eeuw kwamen gevallen van eigenrichting voor...

Zoenakkoord

Aanvankelijk bemoeide de overheid zich niet met inbreuken op de belangen van burgers. Men vond dat een particuliere aangelegenheid en men vond dat families hun problemen maar onder elkaar moesten oplossen. Met name in het geval van doodslag hadden de familieleden van het vermoorde familielid de plicht om bloedwraak uit te oefenen (eigenrichting). Maar in plaats van bloedwraak werd er ook wel een bepaalde afkoopsom aanvaard. Deze afkoop- som wordt ook wel zoengeld genoemd.

Om 2 families met elkaar te verzoenen werd voor de schepenen een zoenakkoord gesloten. Daarbij was het nodig dat zowel de benadeelde partij als de dader van het misdrijf aanwezig waren. Beide partijen konden zich tijdens het geding laten vergezellen door vrienden of bloedverwanten.

In een zoenakkoord werd formeel vastgelegd welke boetedoening een misdadiger moest ondergaan. Als de misdadiger aan al hetgeen de benadeelde partij hem had opgelegd had voldaan, was voor eeuwig en altijd een verzoening tussen beide partijen tot stand gekomen.

De verzoening was gericht op de opheffing van de vijandschap en het herstel van de vrede tussen de 2 partijen. Verzoening kon niet volledig bereikt worden door compensatie van aangedaan kwaad. Daarvoor was ook vergeving van schuld en afzien van vergelding noodzakelijk. In de Christelijke ethiek is waarachtige verzoening met vijanden steeds gezien als kenmerk van liefde en humaniteit. In religies van de mensheid speelt verzoening een grote rol. Het gaat daarbij om cultushandelingen en boetedoeningen die de toorn van God wegens wetsovertredingen beogen weg te nemen.

Het niet betalen van het zoengeld maakte de dader vredeloos. Dat wil zeggen dat hij buiten de rechtsorde werd geplaatst. In dat geval mocht een ieder de moordenaar doden en zijn bezittingen werden verbeurd verklaard. Later konden op degenen die het zoengeld niet konden opbrengen lijfstraffen of de doodstraf toegepast. Nadat op last van Filips II de criminele ordonnantiën waren ingevoerd, kwam het initiatief om tegen een verdachte van een misdrijf een procedure te beginnen, bij de overheid te liggen. De overheid trad daarbij op als aanklager.

Geen ruzie in de stam.

In dit Germaanse recht ligt vooral de nadruk op het behoud van de vrede binnen de stam. Door deze tolerantie ten opzichte van de oude wetstraditie is toch nog veel Germaans volksrecht aan ons overgeleverd. In de Lex Ribuaria, een Frankisch wetboek en in de Lex Saaxonum, het wetboek van de Saksen, vind je bijvoorbeeld minutieuze opsommingen van zoen- en boetegelden. Ten koste van alles moest het uitbreken van vetes en wraakoefeningen worden voorkomen. Deze zouden de kracht van de stam alleen maar verzwakken en de orde verstoren.

In de kleine en besloten dorpsgemeenschappen vinden we het Germaanse recht in de vorm van zoenakkoorden weer terug. Het is niet toevallig dat juist de doodslag onderwerp is van deze akkoorden. Een slag met dodelijk gevolg bij een ruzie zal niet zeldzaam geweest zijn. Ruzie is in de meeste gevallen niet alleen een zaak tussen twee personen maar een zaak tussen twee families. En als er dan ook nog doodslag aan te pas komt, heb je een groot probleem. In zo'n geval geeft een zoenakkoord een veel betere voldoening voor de gekwetste partij dan een bestraffing van de dader met doodstraf, lijfstraf of alleen maar een boete. Deze straffen betekenden nauwelijks iets voor de gekwetste familie en droegen evenmin bij aan het herstel van de vrede. Een vete met bloedige wraakoefeningen zou evenals dat in de oude stamverbanden het geval was, voor het dorp catastrofaal zijn.

Niet alleen een verzoening met de dader maar ook met God!

Allereerst dient aan de benadeelde partij zoengeld betaald te worden. De hoogte van het te betalen bedrag is afhankelijk van de draagkracht van de dader en het gederfde levensonderhoud van de nabestaanden.
Naast dit zoengeld vindt men ook de spynde of uitdeling van brood of graan aan de armen.
 Merkwaardig zijn de soms te ondernemen bedevaarten. Tal van bedevaartplaatsen kwamen in aanmerking. Naast Boxtel, Scherpenheuvel, Geel en Geraardsbergen komen we ook heel ver gelegen plaatsen tegen, zoals Rome en Santiago de Compostela in Spanje.

Vergiffenis vragen doe je in ondergoed en blootvoets!

In de oudste akkoorden vind je het mooie gebruik dat de dader in ondergoed en blootsvoets, met een kaars in de hand, de zielemis bijwoonde. Geknield voor het altaar vroeg hij vergiffenis aan God en aan de familie van het slachtoffer. Daarna werd hij door de priester opgenomen en naar de plaats geleid waar hij de kaars moest neerzetten.
Het zogenaamde wijken was een onverbrekelijk onderdeel van het akkoord. Op de dader rustte de verplichting alle ontmoetingen met de familie van het slachtoffer op wegen, in herbergen en in kerken te voorkomen.
Soms was het nodig om de partijen nog wat beter uit elkaar te houden. Dan greep men naar het zware middel van de tijdelijke of blijvende verbanning. Maar bijna nooit was deze maatregel absoluut. Vaak werd er bepaald dat de verbannen persoon gastgewijze terug mocht komen en enige nachten bij zijn familie mocht slapen.

Wat is hier nog van over

In het huidige strafrecht zijn nog steeds elementen uit het Germaanse recht terug te vinden. Het zoengeld van toen wordt nu aan de maatschappij als geheel terugbetaald in de vorm van boete of gevangenisstraf. Het slachtoffer zelf krijgt tegenwoordig meestal niets; hij of zij moet dan maar via de burgerlijke rechter een eis tot schadevergoeding instellen. Het wijken vinden we nog in het straatverbod terug; een tijdelijk verlof van de gevangenisstraf is zelfs bespreekbaar. Maar schuldvereffening en vergiffenis zijn in het moderne strafrecht

U kunt een e-mailbericht met vragen of opmerkingen over deze website verzenden aan pvandinther@chello.nl.
Copyright © 2006 Website van Dinther, van Dinter, van Dinteren en van Denderen
Laatst bijgewerkt: 23 december 2009