|
| |
Rechtbank Den Bosch:
Deductie gedaan maaken en aan de Edele wel achtbare Heeren Schepenen der
Hoofstad 's-Bosch overgegeeven uit den naam en van weegends: Laurentius van
Dinther, gedetineerde op deezen Stads GevangenPoort, gedaagde en verweerder ter
Eenre.
Op en de jeegens Den Hoog Edelen Hoog gebooren Gestrengen Heer, Jongheer Charles
Bigot, Hoog en Laagschout der stad en Meijerije van 's Bosch etc. etc. etc.
Nomine Officii Apprekendant Eischer en Aanlegger ten andere Zijde.
Edele WelAchtbaar Heeren Schepenen!
Art. 1
Om uittedrukken, hoe ijmand weegens een kwaad geruchte, welke de menschen
geneegen zijn zoo ligt te gelooven als te versprijden en vergrooten.
In ongeleegenheeden, en wel onverdiende kan gebragt worden, beezigden onze
voorouders 't bekend spreekwoord: wee den Wolf, welk in een kwaad gerucht komt.
Daarmeede krachtig te kennen geevenden, hoe zelf de Wolf, dat ..... vernieldend
dier, door kwaade maare en geruchten te meer vervolgd word en alzoo zullen Uw
Edel Wel Achtbaaren bij 't examineren en visiteeren der stukken al van zelven
zoo men eerbiedig vertrouwen mag gereflecteerd hebben.
Dat meede door zoodaanige kwaade maare en geruchte wel grootendeels des Gevanges
ellenden, waaronder nog in gesloote gevangenis zit te zuchten, zijn
voordgekoomen, en dat dezelve hem onnoozel zijn overkomen.
Dan daar de beweering van des gevanges onnoozelheid en onschuld, en wel jeegens
de gedaane aanklagte van de Heer N.O. Eischer en Aanlegger, bij Ticht en
Aanspraak Crimineel en de conclusie derzelve, de stof tot deeze schriftuur
verschaffen zal en ook 't ‚‚nig Poinct in Questie met genie, Heer Eischer in
deezen uitmaakt.
Zal de gevangen daartoe terstond overgaan, hier in ten voetspoor zullende houden
des zelfs ingediende Memorie van de Sensie(?), naar welke meede de schriftuur
van Emploij in Jorm van Thoon(?) is gecoucheerd geworden.
Dus zal al terstond 't declaratoir door Schepenen en Secretaris van Rosmaalen
weegens den Gevangen gegeeven, en sub Nr.? onder de stukken des Heer N.O.
Eischers gevoegd, in confideratie koomen.
Welke Schepenen en Secrataris dan op den Eed verklaaren: "dat de gevange bekend
staat voor een zeer gevaarlijk persoon, bijzonder wanneer hij dronken is" "Die
zich aan veele brutaliteiten, pesterijen, molesten en ongereegeldheeden heeft
schuldig gemaakt."
Waarop de Gevange alleen maar zal aanvoeren voor eerst, dat 't hem toegeschreven
character moet opgemaakt zijn uit 't geen gepasseerd zou zijn weegens inslaan
van glaazen ten huize van den Scheepen van Hasselt in 't jaar 1788 in 't
injurieeren, insukteeren en molesteeren van Schepenen en Secretaris van
Rosmaalen in officio, men gelieven te zien de Memorie dees Heer N.O. Eischers of
daarna is 't opgemaakt uit dat gepasserde bij van Hasselt en dat injurieeren,
hoe kan daaruit als nu drie jaaren daarna iets ter krenking van den Gevangen
verklaard worden? te meer, daar de Gevange daarover wel ter Crimineele Rol
alhier is gedagvaard geworden, doch alzoo heeft weeten te andwoorden, dat de
Heer, N.O. Eischer niet geeft gemeend te kunnen voordprocedereeren en alzoo de
pouvsuite(?) der geëntameerde Procedure heeft laate vaaren, waarvan meede
Secretarie en Schepenen van Rosmaalen niet wel onkundig kunnen zijn, hoe zou die
gedaane dagvaarding dus ten naadeele van des Gevanges goede naam en wel nog drie
jaar daarna kunnen verstrekken? en waardoor dan ook vervalt 't geen de Heer
Officier bij deszelfs Memorie zegt, dat de Gevange weegens voorsr. dagvaarding
Subre„tus is geweest.
Want reatus is niet anders als de Status et conditio in qua sunt rei donec vel
absoluantur qel condemnentur, zoo als 't gedefinieert word gevonden in 't
vocabularium Juris van Prof. Vicat, in voce tom. 4e pag: 135 col 13 en dus
reatus eijgenlijk beteekend den staat des beschuldigden staande de Proceduure.
Maar hebben Secretaris en Schepenen hun verklaaring gegeeven, gegrond op 't
gepasseerde na dien tijd, of na die dagvaarding, dan is de vraag, vanwaar zij
van de waarheid overtuigd zijn geworden? 't kan niet voordgekoome zijn uit ten
nadeele van den Gevangen voor Schepenen van Rosmaalen gegeeve verklaaringen.
Want dan was de Gedaagde zeekerlijk op fundament derzelve naar maate de feiten
crimineel of civiel strafbaar mogten zijn, door den Heer Eischer of
Quartierschout ge„ctioneerd geworden.
Daar hij integendeel nimmer ergens over als voorsr. gevallen is ge„cti”neerd
geworden, ook de Heer Eischer daarvan niets heeft kunne reppen 't is waar bij
deszelfs Memorie zegt de Heer Eisscher, dat de Gevange in zijne wanbedrijven en
brutaliteiten is voordgevaaren.
Maar waar zijn de bewijzen daarvan? dus gelt hier 't geen Rouricins 20 Captivo
C.I Nr. 7 te recht zegt innocens profuniitur, qui non suit a quoquam accusatus,
ook kan 't niet voordgekoomen zijn uit woorden of daaden door Secretarie of
Schepenen met eijge ooren en oogen gehoord en gezien. Want dan hadden zij aleer
als particuliere getuigen door 't steeds waakzaam Officie gehoord geweest, dan
waarvan meede niets bekend is. maar waaruit wisten dan toch Secretaris en
Schepenen die reij van zwarte daaden? dit is geheel en al onbekend gebleeven,
kortheidshalven zal Gedaagde alleen zeggen, dat hij gemeend heeft jeegens voorsr.
Verklaaring te mooge stellen de ingewonne Verklaaringe bij Thoon Sub Litt. (?)
waarbij acht persoonen zijnde notabele Ingezeetenen van Rosmaalen allen den
Gevangen kennenden en twee hunner zelfs in de nabuurschap des Gedaagdes gewoond
hebben onder daadelijke aflegging van Eede hebben verklaard dat zij gemeenzaamen
omgang met den Ged. gehad hebben, dat hij hun niets schuldig is en hij te vooren
't verschuldigde zonder geschil prompt en eerlijk heeft voldaan, dat zij den
Gevangen voor geen gevaarlijk persoon kennen, integendeel, dat zij er gaarn meed
te doen gehad hebben, dat zij den Gevangen voor geen dronkaard gehouden hebben,
dat hij ook ruzie zogt te weeren, welk contrast maakt dus die verklaaring met de
voorgaande! een ruim veld stond hier open om een en ander naader toe te lichten,
men ziet daaruit zeer duidelijk om maar kort te zeggen dat de Gedaagde gehouden
word voor een persoon, staande ter goeden naam en faam, en al was eens den
Gedaagde in 't gew. Jaar van 1788 ter zaake voorsr. 't tegendeel waar geweest.
dan heeft nog een goed gedrag geduurende drie jaren daarvan een geheele
verandering gegeeven. bona vita et jama(?) multum prosit ad excludendam delicti
profuntionem, leerd ons Bouricine in Captivo Cap.1 Nr. 12 en hij laat er deeze
notabele woorden op volgen:
(Latijnse Tekst)
Ook valt 't van zelfs in ’t oog dat volgens de Memorie des Heer N.O. Eischers,
Secretaris en Schepenen van Rosmaalen en speciaal de Schepen van Hasselt in de
jaare 1788 de beleedigde persoonen zijnde geweest dit alleen en op zich zelven
genoomen voorgem. verklaaring genoegzaam enerveert, dan hiermeede stapt de Ged.
van dit voor hem zoo important Poinct af in dat eerbiedig vertrouwen, dat indien
hij aan uw Edel Wel Achtbaaren welke volgens de crimineele Ordannantie Capittel
1 Art. 19 bij 't verleenen van Provisie van Justitie onderscheid moogen maaken
tusschen fatzoenlijke geschikte en eerlijke ingezeetenen en ter kwaader naam en
faam staande zonder kwetzing nochtans van de Rechtvaardigheid tijdig genoeg
voorgen. bewijs had kunnen produceeren, prosumptief geen Decreet van Apprehensie
zou verleend zijn geworden en vertrouwd hij nu verder dat in judicando de inhoud
van voorsr. verklaaring van Secretaris en Schepenen van Rosmaalen tot geen
bezwaar zal verstrekken, te meer daar integendeel voorgem. verklaaring voor den
Gedaagden hem allenzins in 't gunstigst daglicht plaatst en hem dus zal
verligten, een Rechter doch, zoo als de welspreekende Cicero, voor Sulla
pleitende zijne Rechters tragtende in te prenten geen Rechter moet in zwaare
zaaken wat een ijgelijk gewild, gedagt of gepleegd heeft, niet opmaaken uit de
misdaad, maar uit de Zeeden des geene, die beschuldigd word.
Want, vaart hij voord, niemand kan van leevensgedrag en inborst schielijk en in
een oogenblik des tijds veranderen, men zie de Oratie pro Sulla Nr. 25 en alzoo
tot de beweering van onschuld van de ten lasten gelegde zoogenaamde misdaaden
overgaande zal men eerst quo ad factum en dan quo ad jus die onschuld tragten te
deduceren.
Omtrent 't Jachu(?) dan loopt de beschuldiging over 't geen gebeurd zou zijn op
de jaarlijksche marktdag te Nuland invallende jaarlijks op den tweeden Maandag
in Maij, en alzoo in den Jaare 1791 gehouden op den 9 Maij, allerklaarst is 't
dat de Gevange op dien 9 Maij zich marktwaards heeft begeeven, aanstonds zal nu
de vraag invallen welke was doch de reede, die den gevangen als naar die markt
dreef? was 't om daar, zoo als men zegt te gaan zuipen en zwadderen en om daar
den leever eens recht om te schudden, of den boel aldaar eens op te schikken 't
geen helaas 't eenig oogmerk van zoo veel nietige leeglopers en zwadders komt
uit te maaken, en met neede daarover geklaagt word, men gelieve de fraaije
Verhandeling van de Brasser over de Jaar- en Weekmarkten bladz: 56 en 166 in te
zien,
Neen, Edel wel Achtbaare Heeren, de gevange is hierin buiten alle verdenking
gesteld, want hij heeft zich om een gewigtige zaak, van zijne wooning te
Rosmaalen marktwaards gespoed.
Welke reede hierin bestond, dat hij van Gerrit Timmers, woonende te Berlicum op
Kaathoven, nog eenen Rijksdaalder te beuren hebbende weegens aan hem verkogt
hooij, door denzelven Timmers op dien Marktdag bescheiden was, om dat geld te
beuren, en alzoo heeft de Gevange op Art. 4 van Qroduct(?) van den Heer Eisscher
Ju. 6 nr. 8 geantwoord, en Gerrit Timmers ook beëdigd verklaard, men zie bij
Thoon sub Litt. M.M.(?) 't is waar, Timmers verklaard vier gulden schuldig
geweest te zijn, en dat hij die ook toen niet voldaan heeft dan beijden doet
hier niets ter zaake,
Ook 't eerste strekte ten voordeele des Gevangen en 't laatste zal gekoomen zijn
weegens gebrek aan specie van den steeds geldeloosen landman.
De zaak is en blijft doch waar, dat de gevange niet uit eijge motief naar de
Markt te Nuland gegaan is maar om dat hij daar bescheiden was en wel ter beuring
van geld, die groote spil, waarop van over eeuwe bijna alles op de weereld
bewoogen word. en dus vermogt hij niet na te laten, zonder verzuiming van zijne
belangens, krenking van zijnen pligt als een bonus pater familias en braave
vader voor zijne kinders om naar Nuland te gaan.
Nog iets ten faveure van den Gevangen behelst de hoofdzaakelijke overeenstemming
van hem met den getuigen Timmers ten blijke de Gevange in deszelfe verhooren der
waarheid hulde heeft gedaan en hij vertrouwde, dat hij hierdoor ook in andere
zaaken alle geloof zal verdienen en daardoor ook allen ingang vinden; de Gevange
ging dan naar Nuland en kwam daaraan 's morgens circa elf uuren met den knegt
van den Heer de Roock, vid: product Sub Nr. 8 resp. ad art.:3, bij zich hebbende
een stokje van omtrent ‚‚n duim dik op den weg uitgesnoeit, prod: ibid: resp. ad
Art. nr. 15 en bij Thoon Sub Litt.. etc. dat er nu, zeedert de aankomst te elf
uuren tot in den achtermiddag, de tijd veelal met praaten en rooken en als bij
afwisseling met een glaasje in de Meijerij veelal gemaatigden sterken drank of
ook glas bier zal gesleeten zijn, is zeer presumtief, genoeg is 't dat van 't
gehoud gedrag door den Gedaagden in dien tusschentijd, niets kwaads te berden
heeft kunne gebragt worden, 't was dan Edele Wel Achtbaare Heeren in den
achtermiddag dat de Gedaagde in de herberg van Thomas van Dieten met andere
persoonen onschuldig zittende te praaten en te drinken, de Dienaar der Justitie
Jan Dosij is binnengekoomen en hem Gevangen van daar heeft willen doen heengaan,
waarop hij gevangen, welke tot zijn leedweezen gevoelde beschonken te zijn, en
dus best dacht liefst (...) bij 't gezelschap te moeten blijven, aan den Dienaar
een stuiver presenteerd om maar heen te gaan, dan welke door den Dienaar
geweigerd werd.
Dit alles vind men, behalven door den gevangen bij pruduct Sub. N.8 resp. ad
art. 8 en sub. nr. 11 resp. ad art. 2. door drie getuigens bij den Heer Eischer
zelven geproducerd, getuigd, men gelieve te zien () en dus zeer zeeker als
volleedig beweezen moet aangemerkt worden, ook schoon ‚‚n der getuigen weegens
jongheid den Eed niet is afgenoomen, daar dag een zoodaanig ad innocentiam meede
alle geloof verdiend men zie: Matthaus de criminele L.48 etc. dus ziet men al in
den beginnen hoe de Gevange niets kwaads doende, nogtans word gebooden van de
Markt aftegaan en dus daar door word beleedigd, echter bedaard, als 't waare om
verdere beleediging af te koopen en hoe onverpligt ook, enen stuiver presenteerd
en welke genereusheid met een veragtelijk weigeren word beantwoord, immer hoe
betaamd 't eene Dienaar der Justitie ijmand stil en vreedzaam in een herberg en
dat tijde van een jaarmarkt, zittende, uit de herberg te jaagen!
Is de Dienaar maar niet alleen daartoe geschikt, om alle desorders wanbedrijven
en misdaaden op straat te weeren? of ook in huis, zoo daarover klagte mogte
vallen? maar waar blijkt hier van iets kwaads, alstoen door den gevangen 't zij
in, of buitens huis, bedreeven? voorwaar nergens ten processe en Uw Edel Wel
Achtbaaren worden ernstig gebeeden hierop doch eene zorgvuldige Reflexie te
willen slaan.
Maar mijne Heeren daar 't beweezen is, dat gem. Dienaar der Justitie op den
Vorster Ackermans tot twee reijsen dezelfde zijdgeweer half heeft getrokken
gehad zeggende met zwaare vloeken, ik zal uw den kop inhouwen. Zoo dat Ackermans
moest vluchten ook ontret is dat 't verder meede beweezen is, dat hij op eenen
anderen tijd een persoon met zijn zijdgeweer en wel op 's Heerenweg in den arm
heeft gehouwen. (artikel) eindelijk, dat 't ook beweezen waarheid is, dat die
Dienaar op voorn. Marktdag zeer beschonken en dronken geweest is.
(artikel) behoefd men zich dan wel te verwonderen dat een Dienaar van dat aloij
zoodaanig gedrag omtrent den Gevangen heeft aangenoomen en gehouden? en men zal
ook denzelven nog alnader uit 't vervolg leeren kennen, ondertusschen gelieven
men deeze kleinen uitstap in faveure des Gevanges zaak gedaan, goedgunstig te
vergeeven en de Gevange vervolgd 't gebeurde, na de beleedigiing den gevangen in
de herberg aangedaan en de allenzins eedelmoedige wijs waarop de Gevange die
zaak behandeld had begeeft zich eerst de Dienaar en daarna de Gevange zich uit
de voorgen. Herberg en buiten de deur houwd hem de Dienaar al terstond met den
sabel en wond alras den Gevangen de Gevange vermeende zich tegen dat geweld te
mooge verweeren en verweerd zich dan ook met zijn stokje,
Slaande den Dienaar daarmeede en ontneemt hem deszelfs sabel ten einde verdere
quetsuivre of wel een neerlaag voor te koomen doch werpt hem daarna 't gevaar
voorbij zijnde, dien weer toe en dat dit geen fraaij opgeschikt stukje, neen
maar eene beweerens waarheid is, blijkt klaar uit de verklaaring van Jan van
Uden bij Thoon Sub Litt R. R. welke meede verder verklaard, dat de Dienaar al
sterk vloekende gezegt heeft "koom maar buiten", dat hij terstond op de Gevangen
zijn sabel heeft getrokken, op hem gehouwen en drie wonden toebragt, dat
terstond daarop van Dinther met zijn stokje sloeg, en de Dienaar nog eens
poogende te houwen de Gevange hem toen aanpakte, deeze en eenige Getuige, vooral
daar hij de volleedigste Verklaaring van 't gebeurde heeft kunnen geeven zou
volkoomen sufficient zijn, men zie Utrechts Advijs, Boek 2 C.19 Nr. 19 maar
bovendien verklaard nog Bart van Veen, vide Product des Heer Eischer Sub. nr. 9.
"dat de Dienaar uit de herberg kwam en gevolgd wierd van den Gevangen, welke een
stok in de hand had". "dat, toen zij even buite die herberg waaren, gem. Diender
zich heeft omgekeerd, zijn sabel getrokken," "en daar meede na Laurens van
Dinther gehouwen heeft" en nog twee getuigen vide Product Sub. nr. 14.
verklaarende dat de Dienaar zijn sabel heeft getrokken,
Zie daar dus volkoomen beweezen, hoe de Gevange geweldaadig met de sabel in de
vuist is aangerand en zich daar jeegens alleen heeft verdeedigt en dat wel met
een dun stokje of gaartje, welke hij bij zich had, zoo als hier voor beweezen
is, in welke attaque de Gevange dan ook wonden bekoomen heeft, en de Gevange ook
niet ontkennen kan dat de Aanvaller, de Gevange zich al steeds verweerende,
meede zijn deel en loon van zijn aanval ontvangen heeft.
Dan hoord men aan den anderen kant den Heer N.O. Eisscher spreeken, dan heet het
bij Ticht gelieven Art. 2, 3 en 4 in te zien, dan heet het, dat de Gevange
goedsmoeds op den Dienaar van achteren met de stok een zwaare slag heeft
toegebracht en hem daarna met dien stok, tot zelfs buiten zijn kennis geslaagen
heeft en de Heer Eisscher heeft verscheidene getuigens ter bewijs daartoe
geproduceerd, edoch, vermits naar Rechten in Criminele zaaken altijd meer geloof
aan de getuigen van de beschuldigden, dan aan die van den Officier, schoon
meerder in getal moet gegeeven worden, Utr. Cons: D. 3, C.42 Nr. 39 en twee
getuigen een misdaad teegen spreekende of ontkennende meer geloofd moete worden
als duizend ie 't affirmeeren of staande houden Holl: Cons: 2 derde Deel C. 167,
n.16. men zie 't algemeen Register op de Consultatien door Nassau La Leck bladz.
262 en 260.
Zoo heeft men den kostbaaren tijd met eenige aanvoering van gepaste resutatien
niet wille vernielen,
Een paar Reflexien verwaarloosde men echter,
De Ticht wil, dat de Gevange met zijn stok een zwaare slag heeft toegebragt, zoo
dat des Dienaars hoed ter aarde viel maar hoe is 't moogelijk geweest vraagt
men, met een dun stokje of gaartje, van welke daadlijk aanweezen liet voor de
bewijzen zijn aangevoerd, een zwaaren slag toe te brengen?
Zeer zeeker schijnt 't moogelijker te zijn om met eenen hooijboom ijmand een
ligt tikje te geeven, als om in 't omgekeerd geval, met een dun stokje een
zwaaren slag toe te brengen en ziet men op 't aangevoerd bewijs en de opgegeeve
maat hoe zwaar de slag geweest is, dan is 't zoo dat de hoed ter aarde viel, een
groot bewijs waarlijk dat een hoed, welk in evenwigt op 't hoofd geplaatst is,
en daardoor wanneer maar aan een der uitsteekende punten geroerd word, af moet
vallen, een groot bewijs dat de hoed afvallende, de oorzaak daarvan een zwaare
slag moet geweest zijn.
De andere reflexie is, dat er gezegt word, dat de Dienaar buiten zijn kennis
geraakte,
Wederom zou men bedenking kunnen maaken, hoe 't moogelijk zij, dat ijmand buiten
zijn kennis geraakt terstond Rapport van al 't gepasseerde aan den Heer
Drossaard kan gaan brengen en daarna van alles b...edig de verklaaring passeeren?
en evenwel beijden is gebeurd, men zie product sub nr. 2 en 3.
Thans zal men den Dienaar wat rust geeven en den Gevangen als nu gewond en over
zulks vermits daartoe geene aanleiding gegeeven had alle medelijden verdienende,
wat naader in 't ook houden.
De Gevange en Gedaagde begeefe zich dan wederom in de Herberg van voorgen. van
Dieten, en laat aldaar door Jan Brok op de wonden Papiertjens plakken na dat Jan
van Uden 't bloed eerst had afgewasschen, waarna de Gedaagde aldaar een Jaapje
commandeerde en met 't gezelschap uitdronk.
Men zie bij Thoon Sub Litt RR. en de Gedaagde begaf zich verder ten huize van
Ermert van Nuland bij Art. 5 van Ticht vermeld alwaar men terstond zal zien wat
er al gebeurde:
Intusschen was de Dienaar bij den Heer Drossaard gaan klaagen, immers zoo
verklaard de Heer Drossaard Wierdsma en Petrus Emilius Wierdsma, vide product
Sub N. 3: "dat op voorgen. marktdag namiddag circa zes uuren, bij hun gekoomen
is de Dienaar Jan Dosij". "En dat hij gezegt heeft dat de Gevange hem goedsmoeds
op de markt zoo geslaagen had". en zij voegen erbij "dat zij hem geraaden hebben
na nog eenige ondervraaging hoe sig dat geval had toegedraagen, dat hij na huis
zoude gaan" "gelijk hij ook daadelijk ging" eer de Gevange dit verklaarde zal
toelichten, moet hij nog eens zijne verwondering te kennen geeven, hoe een
persoon, welke hij Ticht beschreeven word zoo zwaar geslaagen en daardoor gewond
en buiten kennis geraakt, evenwel nog in staat is geweest om Rapport, zoo als 't
dan geweest zij, van 't gebeurde te maaken! en dit te meer daar de Dienaar zelfs
onder Eede heeft durven verklaaren men gelieven product Sub nr. 2 in te zien,
dat hij zoodaanig geslaagen en gewond was, "dat den deponent buijten sijn kennis
geraakte"."dat niet weet op welke wijze hij Deponent is Thuijs gekoomen"
Hoe kan zulks doch zamen gegaan hebben,
De Heer Wierdsma en Zoon zeggen dat de Dienaar bij hun bovengen. Rapport heeft
koomen maken en dat hij nog ondervraagd is hoe 't geval zich heeft toegedragen
en hij dus ook moet geantwoord hebben en de Dienaar zegt zoo buiten zijn kennis
geweest te zijn dat hij niet weet, hoe is 't huis gekoomen dus alweer een blijk
wat Man eijgenlijk die Dienaar is! en men kan dus te recht op hem als getuigen
appliceeren de Leer van Wieland Pr: C VI F. C. 16. nr. 9 "Als een oircondt,
getuige, liegt in een articul, al zijn depositie is geenzins te gelooven, al
waart ook al waar 't geen dat hij anders zegt".
Zie ook Baurici de Capt: C5 W. 65,
Dus tot meergen. verklaaring van den Heer Drossaard Wierdsma en Zoon
weerkeerende volgd daaruit, dat de Dienaar den Heer Drossard heeft als
vooringenoomen.
Hij zegt goedsmoeds alzoo daar den Gevangen geslaagen te zijn en dit is volgens
't hier voor beweeze en ge„dstrueerde, eene volstrekte onwaarheid deszelfs
antwoorden op de dag den Heer Drossaard voorgestelde vraagen zullen dus mag men
veilig vertrouwen, van 't zelve aloij geweest zijn was de Heer Drost, welke met
een voor een Officier zoo zeer passent onderzoek van zaake en ondervraaging
begonnen was, op zijne vraagen onpartijdig en naar waarheid geantwoord, dan zou
zeer zeeker de Dienaar nog een Replement en Correctie voor zijne handelwijs in
deezen ontvangen hebben, daar hij nu integendeel van Heer Officier zoodaanig
heeft als gepreoccupeerd, dat dezelve zich terstond met twee assistenten
marktwaards heeft gespoed en dat we, zoo als zelf verklaaren: "ten einde die
Vrijwilliger de markt af te brengen "tot voorkooming van verdere vrijwillige
daaden en Zegterijen". en dus zoodaanig geanimeerd is geworden dat hij daardoor
van alle verder en wel onpartijdig onderzoek in zaake af zag en zij zoo maar
direct op den Gevangen losgingen dus kan nu de Gevange welke zoo even ten huize
van Ermert van Nuland gelaate was, den draad van 't eenvoudig gebeurde weer
opvatten.
De Heer Drossaard met deszelfs Assistenten dan geavanceerd zijnde tot voorsr.
Huis, en bij den Gevangen genaadert, vraagd hem waarom hij de Dienaar geslaagen
had en word naar waarheid geantwoord omdat de Dienaar hem Gevangen eerst had
geslaagen en waarop door gen. Drossaard wierd gerepliceerd zulks beeter te
weeten en dat zulke vluggen de Heerlijkheid uitmoesten men gelieve te zien dat
Ticht des Heer Eisschers zelfs Art. 6, 7, 8 en 9 dus Edel wel Achtbaare Heeren,
de Heer Drossaard hield 't bijna voor eene volstrekte waarheid, dat de Gevange,
de schuldige was en moest zijn immers als gem. Drossaard naar de ongeverniste
waarheid had willen onderzoeken dan had hij niet kunne repliceeren dat weet ik
beeter! want wat was er doch natuurlijker als, daar de Dienaar en de Gevange in
facto verschilden dat de Heer Officier zich bij de omstanders informeerde,
temeer daar er zoodaanige genoeg geweest zijn, maar neen, de Officier scheen
zich van de rechte weetenschap van 't gebeurde alreeds genoeg verzeekerd te
houden hier vandaan de waarlijk zoo harde woorden die hij den Gevange zoo
ruimschoots toeduuwde, "dat zulke Vluggen de Heerlijkheid uitmoesten" en
dit was dan als eene Sententie welke de Heer Drossaard op staande voet over den
Gevangen uitsprak en dat op getuigenis van den Dienaar alleen, zonder men moet
't nog eens herhaalen, zonder behoorlijk onderzoek bij onpartijdigen en welke
uitspraak de drossaard met deszelfs zoon ook daadelijk zelfs ging uitvoeren en
als executeeren schoon 't voorkomt dat eijgenlijk zulks 't werk der Wagt, welke
op de Nulandsche Jaarmarkt uit 6 Mannen of wel 2 mannen uit elk der drie Rotten
der Schutterij bestaat, zou moete geweest zijn.
De Heer drossaard dan met deszelfs zoon hebben den Gevangen alstaan aangepakt of
gevat en van gen. Huis van Ermert van Nuland de markt af voordgedreeven, de
eerste met zijn distelschop en de andere met zijn stokje en alzoo zamen
geavanceerd zijnde tot voor of aan deeze zijde 't bruggetje leggende neffens de
Erfe van Weduwe Bastiaan van Vugt aan de laan van den Elsbosch is de gevange
zonder te weeten daar wie of waarom in den sloot geworpen en dat wel bijna
geheel onder waater en kort daarop uit dezelve gekoome zijnde, had de Gevange
alstaen in de hand zijn mandemaakers mes.
Zijnde een kwaad stuk waarvan de lemmet bijna geheel is afgebrooken en geen
volk, ten minsten nog Drossaard nog zoon ziende is hij wederom dorpwaards gegaan
om zich te gaan droogen.
Zoo als hij Gevange zulks ook aan den persoon van Jan van Uden welke hij op weg
ontmoette, gezegt heeft, en die hem ook weer recht naar de Markt zag gaan en de
Gedaagde ook ten huize van Johannes de Haan zich heeft gedroogd dit is 't
eenvoudig gebeurde, voor zoo ver 't de Gevangen met zeekerheid bewust is, en
waarmeede de omstandige verklaaring van Jan van Uden te vinden bij Thoon sub
Litt. RR alsmeede die van Jan Matthijs van Kreij Sub Litt U.U. in 't
hooftzaaklijke overeenkoomen en die voor beweezen moet aan genoomen worden, 't
is waar, dat de eerste getuige alleen maar stellig verklaard dat de Gevange uit
de sloot koomende toen eerst een mes in de hand had en dat dat eigenlijk was een
stuk van een mes dan waar jeegens doch 't verklaarde van van Kreij niet en
strijd ook is 't immer genoeg dat één getuige en vooral één getuige welke de
zaak zoo onstandig en attent gehoord en gezien heeft als van Uden tot onschuld
verklaard
men zie Bouricius in Captivo C. 7 n. 83 zeggende "qui unus testis admittilur ad
probandam accusati innocentiam" "et perfectam actoris probationem destruit atque
evertit" en zulks nog te meer, daar die verklaaring gansch anneemelijk voorkomt,
immer dat de Gevange als mandemaaker een kwaad of stompig mes gebruikt, vind men
bij Thoon Sub Litt. FF, resp. ad. Art. 10 verklaard en daarnu de Gavange
eenvoudig naar de Markt ging om geld te ontvangen zijnde daartoe bescheiden.
Zoo als bij Thoon Sub Litt. MM resp. ad Art. 3 en 4 beweezen is.
Waarom zou hij dan zich van zijn gewoon werkmes ontdaan, en als met opzet een
ander bij zich gestooken hebben?
Hiertoe waaren volstrekt geene redenen allenzins dit kort stompig mes dan
bij zich hebbende waarom en waartoe zou hij 't zelve getrokken hebben? immer
wist de Gevange nog wel zoo veel dat een bijna dronken mensch dit herdenkt de
Gevange nog met weerzin, jeegens twee sterke en nuchtere menschen gewaapend met
distelschop en stok, met een stompig mes, hebbende omtrent een duim sneede om de
banden plat te snijden, niet was zoo hij al eens daartoe de kwaade wil had,
vermogt en waartoe zou hij dan dat stompig mes getrokken hebben? neen, 't is eer
aanneemelijk dat de Gevange in 't waater geworpen wordende alstoen 't mes uit de
scheede en zak is geglijd en de gevange zulks voelende nog bij tijds gevat
heeft, ten einde 't niet te verliezen "eci enim semper capitur profuntio, leerd
ons Bouricius in Captivo C1 nr. 3 en 5 per quam delictum excluditur unde et in
actu, qui potest fierifine delicto delictum non prosumitur
Schoon men nu vertrouwd, dat dit een en ander genoegzaam tot onschuld beweezen
en ook uit zich zelven gansch waarschijnlijk en prosumptief is, vind men echter
bij Tich van Utr. 10 tot 24 ingeslooten, 't zoo onschuldig gedrag van den
Gevangen in deezen geheel crimineel afgeschilderd, immer vind men daar bij
zamentrekking en verkorting, dat de Gevange voor 't in 't waater werpen zijn mee
zou getrokken - daarmeede uitgedaagt en heen en weer gesneede hebben, jaa zelfs
op den gevallen Heer Drossaard woedend aangeloopen – en een sneede of steek zou
toegebragt hebben zoo niet de zoon was toegeschoote en den Gevangen in den sloot
had gestoote en de Gevange daaruit gekoome den gevluchtten Drossaard en Zoon met
't mes in de hand heeft naa geloopen en als ten huize van de weduwe van Vucht,
waarin zij gevlucht waaren, vervolgd en ziet men de Producten des Heer Officiers
in, dan blijkt uit de confrontatie Sub. nr. 11 respons ad articulus 11 et legg
dat zulks ter neer gesteld is op de verklaaringen van de Heer Drossaard en Zoon,
als meede Geert van de Graaf, als ook van Peter Quak.
Omtrent welke eerste getuigens men geliefd te considereeren, dat uit de
Producten de Heere Eisschers Sub. Nr. 4 & 5 blijkt dat op den 18 Meij 1791 en
dus 9 dagen na 't geval niet minder als 13 getuigens voor Schepenen van Nuland
over 't geval in quiestie zijn gehoord en zulks ter instantie en Requisitie van
den Heer Drossaard Wierdsma en zelfs een gedeelte hunner den Eed aan handen van
den Drossaard hebben afgelegd, overzulks gen. Heer Drossaard moet gehouden
worden door 't inwinnen dier informatie een eijgen zaak en officio daarvan
gemaakt te hebben.
Zoodaanig, dat die informatien zelfs een Preventie enduceerden men zie Boeij
Woordentolk op 't woord Preventie bldz. 538 en de Aucteuren aldaar aangevoerd is
dit nu zoo, hoe heeft dan de Heer Officier maar drie daagen daarna eene
Verklaaring, die doch zulre gewicht bijzetten gansch onpartijdig diend te zijn,
in deszelfs zaake en deszelfs Zoon in zijn vaders zaak kunne passeeren en dit is
evenwel geschied, men zie verklaaring van dezelven Sub. Nr. 3. gepasseerd op 21
Maij 1791. 't is waar die verklaaring is gepasseerd ter instantie van 't Hoog
Officie en komt 't dus voor, dat de Heer Drossaard alstoen zijn gemanifesteerd
oogmerk om zelfs ex officio jeegens den Gevangen te procedeeren, heeft laate
vaaren en zulks aan 't Hoog Officie heeft overgelaaten, doch neemt zulks niet
weg, dat de Heer Drossaard ter zaake voors. naar Rechten voor geene getuige omni
exceptione majore kan gehouden worde men zie Mascard de probat: Concl. 26 N. 1
et 2 et concl: 136 N. 41 alsmeede dan Leeuwen cens: Jor: P. II L.2 C.4, N. 3.
VII. et N. 6 circa finem, Damhouder Pr. Cr. C.50. Nr. 22.
Ook is 't een generaale leer Nullus idonens tesie in nesua intelligitur, men
gelieve de Leges 10 W et C. de tetibus in te zien en belangens de zoon leerd
wederom 't geschreeve recht
Testie idonius filius patri non est nec idoneus testis videtur quibue imperari
potest ut testes fiant L. 6 et 9 w ead. in ziet men hunne Verklaaring in
notanter in verbis: dat zij gegaan zijn na de Markt ten eijden dien
Vrijwilliger, dat is den Gevangen, de Markt af te brengen tot voorkoming van
verdere vrijwillige daaden en Vegterijen den blijkt wederom hoe geanimeerd zij
jeegens den Gevangen getuigd hebben nu autem leerd ons Bouricuius in captivo C.5
nr. 74. nec credi testi, quinimis animose deponit
De volgende tekst is doorgestreept:
in dit argument schijnt men waarschijnlijk ook voorzien te hebben en daarom den
Dienaar der Justitie niet ter Requisitie van de den Heer Drossaard nog voor
Schepenen van Nuland maar ter Requisitie van 't Hoog Officie en wel voor
Schepenen van Rosmaalen op den 20 Maij 1791 doen verklaaren men zie Procuct sub.
N.2" nog één staaltje omtrent de getuigens, zoo blijkt uit product Sub. N. 5 dat
Martinus Osewoldt, woonende te Rosmalen als lijfknegt bij den Heer Capitein
Hogenhuijsen, zonder eenige hoegenaamde voorafges. arrest en citatie voor
Schepenen van Nuland verklaard heeft, daar doch de rechten zoodaanige Citatie
vereisschen, waarmeede de 60 Art. der Caroline Ardonnantie over eenstemd en word
anderzins een ongeciteerde getuige vermits deszelfs eenzijdigheid, gewilligheid
en aangebooden dienst voor suspect gehouden.
Zoo als te recht door den Advocaat Verduijn in zijne Annotati‰n op Art. 8 van de
Ordonnantie op de manier van Procedeeren in Steeden en plattelande van Holland
word aangeteekend, men zie ook Berlich: conl. Pr. C. IV, C. IV. nr. 100 et ex
lisce de ceeteris judicandum waarbij nog komt, hoe gansch onwaarschijnlijk de
voorgen. feiten, bij Ticht geposeerd voorkoomen, immers wie zou denken, dat een
door den drank wankelend mensch jeegens twee sterke en eeinigzins gewaapende
nuchtere persoonen een mes zou trekken en dat een stomp mes, waarmeede men in
bedaardheid zich zelven nauwlijks zou hebbe kunnen grieven of kwetzen, en dan
nog wel met zoo een stomp mes op ijmand om te steeken woedend aanloopen en
daarna, wanneer men bijna uit leevensgevaar en uit een sloot vol waater
ontkoomen is, terstond de gevluchten met zoo een mes naloopen en dat in een
huis, waar men eenige menschen en dus defensie kon verwagten en dat men zoo een
huis voor een weegens drank waggelend mensch zoo even 't water ontkoomen en
hebbende een stomp mes in de hand zou toe sluiten! waarlijk loutere
onwaarschijnlijkheeden
Nu autem is 't in criminalibus voor den Verweerder genoeg het bewijs van den
Aanlegger twijfelagtig te maaken, vide Kort Begrip van Utr. Adviesboek op 't
woord Probatie Nr. 12 nec credendum ei, aui non veri similia deponit, zegt
Bouricius C.5. No. 70 en alzoo dees Gevanges onschuld quo factum jeegens de
beschuldiging des Heer N.O. Eischer bij Ticht zijnde gededuceerd, resteerd niet
anders, als die meede quo ad jus te gaan betoogen, al aanstonds schijnt de Ticht
Art. 25 en neederwaarts een schifting te maaken in twee beden voor eerst in eene
schending van veiligheid van publieke markt bij Art. 25 en dan in de tweede
plaats vooral in oppositie en resistentie aan een Officier van de Justitie bij
Art. 26 tot 31 incluis omtrent 't eerste heet 't dat de Gevange en Gedaagde
alzoo heeft geschonden de veiligheid van een publieke markt en daar alzoo deeze
schending van de veiligheid der markt tegen over de oppositie en resistentie is
gesteld geworden
Zal door 't eerste ongetwijfeld 't geval met den Dienaar der Justitie en door 't
ander dat met den Heer Drossaard en Zoon gebuteerd zijn, wat dan die zoogenaamde
schending aangaat, wil de Gevange gaarn toestemmen dat 't grootste voorrecht van
vrije of expres begunstigde jaarmarkten is vrijgeleide voor persoon en goederen,
dat is om vrij en vrank te mooge gaan en te keeren en nergens beleedigd te
worden en dat die daar teegens zondigd de vrijheid schend.
Zoodaanig dat die schenders oudtijds zwaarer, jaa zelfs dubbeld gestraft wierden,
doch welke verdubbeling men twijfeld of thans wel meer plaats heeft en zeer
zeeker niet meer bij ons, men zou dit een en ander uitvoerig beweerd kunne
vinden in de nieuwe en zoo schoone verhandeling over de Week en Jaarmarkten door
M. J.J. Brasser bladz. 185-192, bldz. 302-303, bladz. 349-355, bladz. 355-362.
Maar Heeren Schepenen! waar is doch in cas subject een zoodaanige schending van
de veiligheid van publieke markt te vinden? heeft de Gedaagde Kooplieden in
persoon of goederen gemolesteerd? of ook Inwooners of overgekoome vreemdelingen?
neen, hiervan is niets gebleeken of bewezen, en 't geen dan ook zoo krachtig,
als alles afdoenend, in faveure de Gedaagdes pleit,
Zoodaanig, dat zoo inteegendeel zulks gebleeken of beweezen was, des Gevanges
zaak met geene moogelijkheid door hem zou kunne gedesendeerd worden, maar de
Gevange stil in de Herberg zittende word door den Dienaar genoodzaakt om er uit
te gaan en er dan eindelijk uitkoomende word hij daarenboven door hem gehouwen
en gewond en dus is de Gevange, welke meede schoon geen koopman zijnde eeven als
een ijder zonder onderschid van de vrijheid der markt vermog te jouisseeren, men
zie gen, Brasser bladz. 192 en 273! in der daad op die markt is persoon
gemolesteerd en 't is te klaar, dan dat men 't behoeft te zeggen wie hem daar
molesteerd! en daar nu de Gevange gehouwen en gewond wierd waaren er immer maar
twee weegen, of geduldig de houwen af te wagten en dit kon dan doodelijke
gevolgen hebben of zich terstond daar teegen als te verweeren.
En de Gedaagde kon hier omtrent niet angstvallig in de keus zijn vermits de
natuur die van 't eerste een afgrijzen had, hem 't laatste of de defensie
gebood, dus merkt de wijdberoemde Cicero in zijne Oratie pro Milone Cap. (?)
zeer keurig aan:
Dewijl 't niet eene geschreven maar ingeschapen wet is, zegt hij die wij niet
geleerd bij overleevering ontvangen nog in de Boeken geleezen maar van de natuur
zelve hebben ontleent, overgenoomen en met de eerste moedermelk ingezogen dat,
wanneer ons leven door onrechtvaardig geweld word in gevaar gebragt, alle
middelen tot redding van het zelve dienende, voor rechtvaardigen en geoorloofd
moeten worden gehouden met welke ingeboore Wet de geschreevene Wetten
overeenstemmen, dus zegt de Rechtegeleerde Paulus in L(...) zonder bepaaling:
dat geweld met geweld te keeren volgens alle wetten en rechten is gelaaten men
zie ook Moorman en dan Hasselt verhandel: over de Misdaaden II B. II H. No. 6.
dus had de Gevange in deezen nood weinig te redeneeren en ook was zijn reede -
licht door den drank daartoe te veel beneeveld maar zijn dierlijk gestel noopte
hem als van zelfs tot de sensie zeer fraaij drukt zich Leidens Hoogleeraar
Pestel omtrent 't laatste uit in deszelfs fundam. Jurisprud. Natur 5136, volgens
de fransche vertaaling: L' instinct de la nature porte l'homme a le defendre! en
wat zou hij daardoor doch verbeurd hebben? waar is hier doch een kwaad een boos
opzet, dat charakteristisch merk der misdaaden te vinden? kan men hier niet te
recht appliceeren 't gestatueerde bij (...)Placaat van 4 Junij 1683: dat indien
daar twee of meer malkanderen met vuisten slaan, zoo zal ijder van dezelve
verbeuren drie Guldens, ten waare den eenen konde bewijzen, dat den anderen
eerst hadden toegeslaagen als wanneer dien eenen dan vrij zal zijn. en bij (...)
Plakaat van 6 Januarij 1707: dat, nadien men ook veeltijds bevind, dat de
Nedergeslagen zijn geweest de oorzaak van de questie de eerste Provaceerders en
de Aggresseurs en word vervolgens bevoolen tegen 't dood ligchaam te procedeeren
ten gevolgen dat de Hoogstgeerbiedigde Souverain aan de eene zijde eene noodige
eijgen defenitie vrij laate en aan den anderen kant den schuldigen aggresseur
willen gestraft hebben, jaa zelfs al was hij 't slagtoffer zijner aanvalling,
dan nog tegen 't lijk wil geprocedeerd hebben, men zegge niet, dat de Gevange de
maat van eene noodige defensie zou te buiten gegaan hebben, want zulks nergens
blijkt, maar hij heeft eenvouwig van 't recht van noodweer gebruik gemaakt,
blijkens kortgeidshalve uit deezen algemeenen Reegel bij de Criminalisten
aangenoomen men zie meergenis Moorman en Jan Hasselt II B. II A. No. 7.
Dat Noodweer hierin bestaat, dat iemand niet anders het gewelt of den overlast
hem aangedaan weet af te keeren of zijns levens of ander merkelijk gevaar te
ontgaan, dan door de doding of verwonding van zijne tegenpartije! men zie ook
van Zutphen Neerderl. Pr. op 't woord defensie No. 4, 7 en 8, welke zich op No.
8 aldus uitlaat:
Den geene die ge„ggreseert en geslaagen is, word gepreesumeert alles te doen tot
sijner defensie en niet tot vindicte, indien hij het doet terstond en op de
versche daet en derhalven zoo ijmand wederom slaet, 't zelve word ge„cht
geschied te zijn tot defensie eindelijk behoefd men ook geene twijfeling
allenzins te maaken, weegens de ge”orloofdheid om zich jeegens eenen Dienaar van
de Justitie in cas Subject te mooge verweeren en zulks is ook bij Tich niet
geposeerd dan waarop hierna ter gepaster plaats met een woord naader zal
gereflecteerd worden.
In de andere plaats zou zich dan de Gevange ingevolgen den Ticht schuldig
gemaakt hebben aan Oppositie en feitelijke Resistentie aan een Officier van de
Justitie genoomen in de Protectie en Sauvegarde van de Souverain en 't geen dus
vooral op 't geval met den Heer Drossaard schijnt te zien en verder worden bij
Ticht ten bewijs, ingevolgen de Crimineele Ordonantie Cap. 5 (..), als speciaale
Placaaten, waarbij de straf zou bepaald zijn aangevoerd voor eerst Placaat van
M.M. Vlag. van 19 Maij 1673 en ten anderen Art. 35 van Cap. 1 der Crimineele
Ordonantie men zie Ticht Art. 27 tot 31 eerst zal de Gevange gaan aantoonen dan,
zoo als reeds bij zijne Memorie had ge„vancerd, die Wetten alhier in geene
consideratie konnen koomen, want wat 't Plakaat van 19 Maij 1673, te vinden,
behalven in 't Groot Plakkat Boek 3 V. S. 517 en 518, in 't 3e vervolg van de 4e
Druk der Stads-Castuimen bladz. 6-12, aangaat, blijkt uit de bloote lectuur
zelver, dat 't is eene Amnestie, zoo als dan ook dat Placaat op 't woord
Amnestie in 't Register van 't Groot Plak. Boek word aangeduid immer de
voorreede, meld van diffidentien en murmuratien van Ingezeetenen onder den
anderen en vooral jeegens overheeden en Magistraaten en word daarover Amnestie
verleend de beleedigingen en daadelijkheeden verder verboden,'t geen klaar tot
zamenvattingen (zamenrottingen) en oproer word gebragt, 't geen een ijder in dat
geval gewaapenderhand onder hunne Capiteinen zout moete weeren en de invordering
van 's Lands schattingen adsisteeren (..) dusver de zaakelijke inhoud en
waarlijk zoodaanige Amnestie was in een tijd, dat 't lieve Vaderland door vier
Vijanden van buiten was besprongen en inwendig heevig beroerd.
Eene allergewenschte zaak en de voorzorgen daarbij genoomen alstoen
allernoodzaakelijkst, maar hoe kan men die temporele voorzorgen jeegens opstand
en oproer genoomen meer als honderd jaar daarna op een gansch particulier en
daartoe volstrekt geen betrekking hebbend geval appliceeren? heeft niet die
Amnestie door den wil des Wetgeevers zelve zijne kracht verlooren? daardien er
bijna telkens, wanneer de Staats Orcaanen als hadden uitgewoed, en die door eene
kalmte tot behoud van den Staat wierden afgewisseld en vervangen, eene Amnestie
wierd geëmaneerd? wie geheugd alzoo niet de laatste van 5 Junij 1788?
Zal men nu die Amnestie op particuliere gevallen gaan toepassen? neen, zoo ooit
de Reegel, cessanteratione legis, cessat legis dispositio, waarover
(...)verdiend naargezien te worden, ergens gold 't is voorwaar hier, kort en
bondig word dit in de inleiding tot Holl. Rechtsgel. I.63 D. 5.23 geleerd, daar
men "Want indien de eenigte en wel bekende reden der Wets in 't algemeen ophoud,
zoo moet de Wet verstaan worden doot te zijn, alsoo des Wetgevers wille als dan
ophout". "overzulks alle Wetten alleen op oorlog gegrond, houden op in tijd van
vreede, ook zonder weeder roepinge" daarenboven als was 't eens dat zoodaanige
Amnestie en Placaat nog gevolgd zou kunnen worden, dan nog is daarbij maar eene
straf als volgens de dispositie van de Rechten en de Placaaten van den Lande
bovenden zal worde te behooren, gestatueerd en dus stond nog te onderzoeken waar
dan die straf was bepaald geworden en dus zou 't in de andere plaats aangevoerde
Wet of voorst. Art. uit de Crimineele Ordonantie in aanmerking koomen doch zoo
men vertrouwd meede met geen effect allenzins, immers was de Gedaagde,
opzichtens den vorm en stijl der Proceduure, wel gehouden de Crimineele
Ordonantie als toen reeds gepubliceerd, te serveeren en waarin de Heer Officier
hem ook heeft voorgegaan maar de Gevange zou met geene moogelijkheid uit kracht
van eenig artikel dier Ordonantie gestraft kunnen worden.
Zoo hij waarvan, tijde van 't zoogenaamd misdrijven, ignorant was geweest en 't
geen dan ook 't geval in deezen is,
Want de Marktdag was op den 9e Maij en de Crimineele Ordonantie is eerst op den
22e en 29e Maij te Nuland en Rosmalen gepubliceerd, vid bij Thoon Sub Litt. YY
immers word nergens in de Ordonantie een terugwerkende kracht gegeeven en dus
volgd men den stelreegel dat de Wet eerst verbind na dato der gedaane
publicatie, L.7 et 9 C. de Legibus.
En 't geen naader kort en bondig beweerd en beweezen word daar Voet Comment: ad
Fil. W de LL. No.9, 10 en 17. vid et Utrechts Con: Vol:2 e 119 No.5,6,8, en 9.
dus vermeend de Gevange aangetoond te hebben dat, al waarvan eens de feiten bij
Ticht gepseerd, beweeren des ganschelijk neen, echter op fundament den daar den
Heer N.O. Eischer aangehaalde en ingeroepe Wetten geene straf kon vallen dit
Poinct zou dus voor voldongen kunnen gehouden worden was 't niet dat de Heer
Eisscher bij deszelfs conclusie meede gereraliter tot straf volgens Rechten,
Wetten, Costuimen, Oronnantien en Placaaten van den Lande geconcludeerd had en
de Gevange dus Uw Edel Wel Achtbaarens Attentie daaromtrent nog eenige
oogenblikken diend te bepaalen, de gemeene leer der Rechten geleerden is dan
wel, dat men geen nuntius apparitor, aliave persona publica vermag te
resisteeren op poene van arbitraire correctie, men zie van Leeuwen, Censi. C1
L.5. C.ss N0.6 et C.21. No. 15... ad Vitx W. de Judiciie No. 62. en anderen.
Alzoo is ook bij de Stads Costuimen onder den Titel, van Crimineele Zaaken en
Civiele Breuken art. 22. gestatueerd:
"dat die ijmand van de Wet of in Stads Dienst weerende dreijgelijk toespreekt,
ter cause van zijn Officie of dienst of in den Gerechte eenige onbehoorlijke
woorden spreekt, of andere ongehoorzaamheid berijft of tegen Vader of Moeder
word gecorrigeerd arbitrair ter discretie van Heeren Scheepenen" en toog hij
eenig wapenen om de zelve te invadeeren, zou hem gehouden worden aan zijn lijf,
men zie ook Art. 48 der Crimineele Ordonnantie van 5 Julij 1570
Hier vandaan dat men zoodaanige Persoonen als quasi sancti beschouwd.
Jaa zelfs sommige nog daarenboven ander uitdrukkelijke Sauvegarde van den
Souverain zijn gesteld, om dan met den Dienaar der Justitie eerst te beginnen,
zoo is de vraag of de Gedaagde geene resistentie teegen hem gedaan heeft en zich
dus aan eene arbitraire correctie schuldig gemaakt? voor eerst schijnt 't
twijfelagtig of een Dienaar der Justitie wel onder zoodaanige als geheiligde
Persoonen word begreepen maar eens toegestaan zijnde, ob generalitatem textus
Consuentudinis, dat een Dienaar der Justitie meede onder de Persoonen als in
dienst zijnde forteerd
Zuid in de ?
Zaakelijk heeft de Gedaagde gemeend de houwen van den Sabel of Zwaard te moeten
resisteeren, doch heeft dat vooral met de vuist gedaan en ook met zijn dun
stokje welk laatste zeeker voor geen waapen alhier kan doorgaan vide Moorman den
Jan Hasselt Verhandeling over de misdaaden 11 B. I Hoofdeel No.6 en 10 en zou
dus maar eene arbitraire correctie onderheevig zijn maar welke ook in deeze geen
plaats kan hebben,
Gemerkt de Gedaagde niet misdoende en echter door den Dienaar gehouwen wordende
zich, daar jeegens terstond heeft verweerd was nu de Dienaar alleen gemagtigd om
alle desorders voor te koomen of om de wanorde en ongeschiktheeden te beletten
of teegen te gaan zoo als de Heer Drossaard en de Dienaar zelve getuigen men zie
Producte des Heer Eischers sub nummers 3 en 2. dan is 't klaar, dat de Dienaar
zijn ordre, zijn magt en die zijn pligt is te buiten gegaan en die heeft
overschreeden, nu autem geeven bijna alle Rechte geleerden op den Reegel, dat
men geen persona publica mag resisteeren, deeze exeptie op: nisi injuste et
endebite per injuriam et sine auctoritate qued ex equantui quo casu officialibus
licite resisti posse voluut, men zie van Leeuwen Cens. fol. P 1, L5, C.21, no.15
et P.2, L.2, C5, no. 12 et seq, van Zutphen Nederl. Praktijk op 't woord
defensie n0. 3 en de aucteuren door hun aangehaald als meede de beroemde Prof.
J. Voet ad. Fit: de Judicus No. 62, leerende Aliud dicendum foret si vel mandato
destitutus esset apparitor vel excederet mandati fines atque ita fordidas
exerceret con cusfiones tune enim non mimus ei quam privato enique, nus nostras
diripienti resisti passet arg. L5 C. de Jure fisci L1 de concuss
Jaa, Professor P. Voet in tractatie de duellis Cap: XX, beweerd nog verder neque
peccabit in conscientia si magistratum non ut magistratum fed ut privatum
preetextu officii libi vim inferentem repellat quia vim vi repellere omnes Leges
ommiaque Jura permittunt text:gener in L.3 D. Just et Jure en hij fluit dat
Capittel met deeze woorden: verum nostra in casu personam publicam exuit invasor,
aaque ei resistimne tanguam private vim atque injuriam nobis inferenti en dat
officiales excedeerende in officio te recht gerisisteerd zijn geworden, is zoo
bij Vonnis verstaan men zie Christin: dec: vol:V dec.6. no.2.
Jaa zelfs op zoodaanig leer schijnt eenigzins gegrond, dat Hun Haag Mag: bij
Hooget derzelver Placaat van 14 October 1673, te vinden in Gr: Pl: Boek 3V fol.
181 of Recueil Mil: 1 D. No.44, de Huisluiden in de landen, steeden en plaatzen
der Generaliteit hadden gepermitteerd om het geweldt der 's Lands Militie, met
tegengesteldt geweldt. te weeten in dien tijn, te weeren en de te beletten, geen
wonder dat persona publica exces begaande, zelfs strafbaar zijn hier vandaan,
dat men in 't Utrechts Advijsboek II. D.C.19 een voorbeeld van een Schout
aantreft, welke om de Straf weegens begaan exces te vermeiden aan 't Hof in
Submissie was gekoomen en zoo heeft ook een Commis van den Brab: Zwijgenden Land
Thol. over een exces in functie gepleegd en waarover voor den Gerechte van Breda
jeegens hem Procedure gemoveerd wierd,
Pardon verzorgt blijkens uit Hun Ed: Hoog: Resolutie in dato 6 Julij 1734 en dat
't verbod om niet te mooge resisteeren voornaamlijk diend om zoo veel moogelijk
alle hindernis van lieden in officie volgens ordre en last en dus behoorlijk
werkzaam zijnde af te weeren doch niet verder kan klaar worden afgenoomen uit
Hun Ed Mag. Resolutie van 15 Dec. 1793 in verbis: eerstelijk dat die geene die
na deezen eenige feitelijke resistentie sullen doen aan de Oppassers en
Opzienders van de Jagten
Wanneer deeze NB: eenige Stroopers of Contraventeurs van de Jagt zullen
attrappeeren en calangeeren zullen werden gestraft en zie daar dan in welke
bepaalde gevallen de Resistentie verbooden is en zeer zeeker kan daardoor geen
defensie tegen eene attaque, zonder ordre en noodzaakelijkheid ondernoomen
geacht worden te buiten geslooten te zijn en alzoo durft de Gevange gerust aan
't discretief oordeel van Uw Edel Wel Achtbaaren ter beslissing overlaaten of
dezelve door de afweering van de houwen de Dienaars zich aan eenige verboodene
oppositie of resistentie heeft schuldig gemaakt en daarom strafbaar is,
In de andere plaat s is de Vraag, heeft zich de Gevange aan Resistentie jeegens
den Heer Drossaard schuldig gemaakt?
Men vermeent insgelijks van Neen, immers is de Gedaagde met den Heer Drossaard
gewillig meedegegaan, niettegenstaande hem wierd op gestreeden, dat de Dienaar
eerst had geslaagen en dat als met eene macht Spreuk "neen dat weet ik beeter en
zulke vluggen moete de Heerlijkheid uit",
Jaa de Heer Drossaard heeft zelf getuigd, dat hij zich redelijk gewillig tot
over de brug heeft laate brengen, men zie Product sub No.3 en alstoen is de
Gevange om 't maar met een kort woord te zeggen in 't waater geworpen - en
daaruit gekoomen met 't stomp mes in de hand - en heeft zich in 't dorp gaan
droogen hebbende de Heer Drossaard met deszelfs Zoon zich intusschen reeds
wegbegeeven,
Zoo als dit een en ander hiervoor breeder is geadstrueerd en beweezen en waarin
steekt hier nu doch die zoogenaamde oppositie en Resistentie? Jaa al had eens de
Gevange 't mes in tegenwoordigheid en bijzijn van den Heer Drossaard getrokken,
kon nog voor geene Resistentie gehouwen worden, daar bij Thoon beweezen is dat
de Gevange als Mandemaaker een kort stomp mes gebruikte men zie Sub Litt FF.
resp. ad Art. penult. dus de preesumptie in voordeels is dat hij ook toen op de
markt dat mes bij zich had
Semper enim in dubiis benigniora preeferenda sunt per L.56 de R.J. vide et
L.192S1 ead te meer, daar een getuige bij Thoon sub Litt RR. stellig heeft
verklaard dat de Gevange na 't uit den sloot koomen in de hand had een stuk van
een mes of een mes waarvan de punt afgebrooken was en de lemmet nog maar zoo als
't hem voorkwam een goede duijm lang was welk stuk mes hij hem te vooren niet
heeft zien hebben - en welk stuk mes hij hem uit de hand nam nu autem is 't
zeeker dat ad probandam accusatie innocentiam seniplena probatio sufficit imo
unus testis, men zie Utrecht: cons I.D.cons. 115 No. 15-17 hoe kan nu de Gevange
en wel in een beschonke staat, met zoodaanig mes de Heer Drossard, zoo eens dat
't but van 't mes trekken mogt geweest zijn, snijden, jaa zelfs steeken, zoo als
men leest bij Ticht Art.172
Neen Heeren Schepenen snijden was bijna - en steeken geheel en al onmoogelijk 't
geen echter, zou 't voor resistentie doorgaan en 't mes voor een waapen gehouden
worden en als zoodaanig strafbaar zijn niet alleen licht moogelijk maar ook zeer
doenlijk diende geweest te zijn welk Poinct schoon in zich zelve zeer klaar en
in 't oog vallen is nog naader uit onze Wetten in een allerhelderst daglicht kan
gesteld worden
Immer vind men dat bij Castuinen Fit III, art. 7 't mes of ander gesleepen wapen
te trekken op poenaliteit verbooden is, als 't ten oogmerk heeft en kan hebben
om een ander te invadeeren en bij Plakaat van 6 Sept. 1661 word 't trekken van
een gemeen mes waarmeede dus kan gekwetst worden verbooden en bij Plakaat van 25
November 1665 leest men zoo wanneer ijmand met een gemeen mes eenen anderen
kwetst of infligeert een gemeene keurwonde en bij waarschouwing van 20 Febr.1727
is 't bij zig hebben van een mes met een scherpe punt, daarmede men iemand kan
steeken, verbooden
Men gelieven de vervolgen op de 4e druk der Stads Castuinen in te zien als 2e
vervolg bladz. 11 en 20 en 3e vervolg bladz 37. nog een vrij sterk in faveure
dienende aanmerking noopens dat proteuse mes trekken door den Gedaagden kan hij
hier niet weerhouden
Zij is dan deeze, de Gedaagde is door den Dienaar der Justitie gewaapend
aangevallen en gehouwen en heeft zich maar met een dun stokje en de hand
verweerd
Waarom zou nu de Gedaagde daarna liever zijn mes op den Heer Drossaard getrokken
hebben en 't zelve integendeel te vooren, toen hij door den Dienaar in gevaar
gebragt wierd, hebben laate steeken?
Neen, dit loopt teegen alle waarschijnlijkheid aan en er blijkt ook uit dat toen
hij in 't grootst gevaar door den Dienaar gesteld wierd, hij of de wil niet
gehad heeft of niet in de moogelijkheid of staat geweest is om een bruikbaar mes
te emploieren zulks nog veel minder te verwagten was, toen hij zich in een veel
minder en geringen gevaar bevond nog met een woord diende aangeroerd te worden
dat al had meede eens de Gedaagde eenige onbehoorlijke woorden jeegens den Heer
Drossaard gebruikt gehad, des de Gedaagde vermeend van neen en welk doch voor
geene Resistentie kan gehouden worden cum resistentia non dicitur insimanualis
actus intervenerit zie Holl: Cons. 5.D. cons. 34 daardoor alleen volgens
voorgen. Text der Castuimen een arbitraire Correctie onderheevig zou zijn
geworden welke in dit cas op een civiele actie tot een Civiele boete zou zijn
neergekoomen,
immers is er op 't injurieeren, lasteren, dreigen van Stadhouder en Schepenen in
officio elders door hun Edel Moogende maar eene civiele boete gesteld, ook bij
hun Hoog Vlag: Placaat van 4 Junij 1683 op 't belet en hinder aandoen van
officieren en hun Assistenten in 't vervolgen van doodslaagers en enorme
Delinquanten,'t zij door Deuren te sluiten als anderzins maar pecunieele boete
gesteld 't geen beijde doch veel meer strafbaar schijnt, zoo volgt dan, dat er
dus ook niet meer als eene geldboete kon plaats hebben dan op dat er ook van 't
aanweeren der Wet, waarbij boete op 't injurieren en dreigen van Schepenen
gesteld is, blijkt zij 't gegund uit art. 13 van 't zoo bekend Reglement voor de
Huishouding en Finantie van Eersel Duijzel en Steensel bij Hun Ed. Mag.
Resolutie van 16 Jan. 1767 gearresteerd 't volgende aan te stippen.
De Stadhouder van Quartierschout zal moete zorg dragen dat in de Vergadering der
Regenten en Schepenen goed ordres worden gehouden zonder dat de Regenten
elkander of anderen in de Vergadering der Regenten komen de ijmand door
disrespectuense bejegeningen, Injurien, Lasteringen of Drijgementen toespreekt
of ontmoeten en indien het door een ander in de Vergadering der Regenten komende
mogt geschied zijn, zullen Schepenen den Contraventeur promptelijk mul(?)teeren
met eene Boete van tien Guldens.
Eindelijk denke men niet dat 't terugkeeren van den Gevangen markwaards nadat
hij door den Drossaard omtrent de limiten der Heerlijkheid gebragt was voor een
beleediging veel min. resistentie kan worden aangezien, want de reede van dat
wederkeeren is niet te zoeken in eene wreevele weerbarstigheid, maar alleen
hierin dat de Gevange in 't waater geworpen en daar door doornat geworden zijnde
en zulks op den 9e Maij wanneer men gewoon is nog koel weeder te hebben, vooral
tegen den avond zoo als 't in 't geval tegen den avond gong, overzulks de
Gedaagde tot behoud van zijne gezaondheid kan zich zelve verschuldigd was om
zich in 't naaste huis en alwaar zulks best kon geschieden te droogen, waarom
hij als kunnende met geene doornatte kleeren omtrent een uurtje ver naar zijn
huis gaan, zich terstond weer marktwaards heeft moeten begeeven.
Ook alzoo de Gedaagde aan den persoon van Jan van Uden, welke hem ontmoette naar
waarheid heeft gezegt, zich te gaan droogen of drooge kleeren aan te trekken ten
huize van Johannes de Haan, men zie Verklaaring bij Thoon Sub Litteris R.R.
En al was 't al eens dat de Rechter niettegenstaande al deeze zoo bondige
argumenten, gegrond op de bewijzen en de natuur der zaak en 't daaruit afgeleid
Recht, in eenig denkbeeld mogt vallen des men echter niet vooronderstellen kan,
dat de Gevange of de maat van defensie jeegens den Dienaar waare te buiten
gegaan, of zich jeegens den Heer Drossaard door woorden of daaden mogt
misgreepen hebben en hem daarom een arbitraire crimineele Correctie onderheevig
oordeelde dan nog zou de beschonkenheid of dronkenschap zoo ooit ergens zeeker
in deezen allenzins verschooning en verzagting verdienen, want schoon wel
andeerzins volgens Rechten, dronkenschap tot geene verontschuldiging strekt,
waaruit zelfs 't spreekwoord is voordgekoomen:
"hetgeen men dronken doet wordt nuchter geboet".
Zoo diend jaa doch daaromtrent volgens 't gevoelen van zeer veele en
gerenomeerde Rechts Doctooren op goede gronden eenig onderscheid gemaakt te
worden, 't Zij dus de Gevange geoorloofd voor een oogenblik den meergenoemden
Brasser Verhandeling over de Jaarmarkten bladz. 359, over een manslag weegens
dronkenschap op Jaarmarkt of kermis begaan te laate spreeken:
"Waarom het ook niet ontbreekt aan beroemde Rechtsgeleerden, zegt hij en hij
haald hun ook aan, die van een gemaatigd gevoelen in het straffen van
euveldaaden zijnder en dronkenschap op zich zelven wanneer die slechts bij
toeval al was 't op Kermistijden, iemand bevangt die geene gewoonte maakt van
zich te bedrinken of die zich zelven niet met opzet om eenen doodslag of moord
te begaan bedronken heeft".
"Veel eerder tot verschooning en vermindering zelfs aan de anderzins gewoone
straf willen doen dienen" dan dezelve tot verdubbeling of verzwaaring van straf
doen strekken en word in 't Utrechts Advis Boek vide KM begrip van 't zelve in
voce Dronkenschap No.1 men zie ook Gail L.2 obs. 110 No. 27 et 28 en Moorman en
van Hasselt in meergen. Verhandeling inleid. II Hoofd: No. 26 welke woorden van
Brasser op des Gevanges Zaak allertoepasselijkst zijn.
Immers heeft de Gevange geen gewoonte gemaakt om dronken te zijn, hij is ook
niet naar de markt gegaan met een voorneemen om zich zoo als men zegt, aldaar te
gaan bezuipen, maar om geld op te beuren waar toe hij bescheiden was dan 't
gezelschap doende doolen is hij als toevallig op de markt dronken geworden, doch
stil in de herberg zittende zonder te misdoen komt de Dienaar en maakt om zoo te
spreeken, 't Spel aan den gang
Zoo dat allenzins de aanleidende en eerste oorzaak waarin jaa doch in delictis
zoo zeer te letten staat geheel en al buiten den Gevangen is 't geen alzoo te
gevolgen diend te hebben, dat, zoo de Rechter mogt oordeelen dat er evenwel
ergens in daar den Gevangen misdaan mogt zijn dezelve echter den Gevangen eeven
daarom en vooral weegens de dronkenschap bij toeval overkoomen verschooning
zullen toekennen, waarbij nog komt, dat in plaats men zou verwagten, dat men een
beschonken persoon bedaard en voorzichtig en met geen geweld zou behandelen,
omtrent den Gevangen 't laatste veel eer is te werk gesteld, en hier omtrent kan
men niet voorbij om die schoone en heilzaame krijgs-artikul te vinden in 't
Reglement van wijlen Z.D.H. Prins Willem de IV. Gl: mem: op de subordinatie in
dato 25 Julij 1749, bij van Hasselt over de Krijgsraaden bladz. 212 hier
aantevoeren, hij luid dan:
"Wanneer een zoldaat zig door den Drank onbekwaam heeft gemaakt zal geen
Officier of OnderOfficier zig in woorden-wisseling met hem inlaaten, veel min
hem slaan of mishandelen".
"Alzoo men exempelen heeft dat een Zoldaat bij zulk een gelegenheid dronken
zijnde, zijn leven verspeeld heeft"
"Maar zodanigen dronken Zoldaat zal men in arrest op den Hoofdwagt of in de
Quartierswagt moete brengen om 's anderendaags nugteren geworden zijnde, voor de
begaane excessen dubbeld gestraft te worden".
Met reede vraagd men waarom is de Gevange in plaats de Dienaar met zijn Zoon met
distelschop en Stok hebben gemeend omtrent hem werkzaam te moete worden.
Waarom is de Gedaagde niet veel eer en voorzichtig door de Manschappen uit de
Rotten expres daartoe tijde van markt en wagt houdende of in gijzeling of arrest
genoomen of 't dorp uitgeleid
Dan dit, is niet geschied jaa in tegendeel zullen Uw Edele Wel Achtbaaren
bespeurd hebben, dat 't geen omtrent den Gedaagden geschied is natuurlijkerwijs
aanleiding gegeeven moet hebben dat hij zelfs daardoor heeft moeten geanimeerd
worden.
Want hoewel beschonken echter stil en gerust in de herberg zittende en niets
misdoende komt de Dienaar der Justitie den Gevangen in presentie van de
gelaagsgenooten aanmaanen uit de herberg te gaan, de Gedaagde na te vergeefs
getragt te hebben hem als te neer te zetten, zelfs daar de milde presentie van
een Stuiver eindelijk uit de herberg gaande, word hij terstond daar buiten met
den sabel gehouwen en gewond, daarna komt de Heer Drossaard en Zoon gewaapend
met distelschop en stok en in plaats de eerste onpartijdig onderzoek zou gedaan
hebben duuwdt hij hem aanstonds de woorden toe, "dat weet ik beeter" en "Zulke
Vluggen moeten de Heerlijkheid uit". dezelve pakt den Gevangen verder aan en
stoot hem met zijn zoon alvoord om maar uit 't dorp te brengen blijkt dus niet
zonnenklaar dat 't geen de Gevange gedaan heeft, vooral geschied is impetu
tractus doloris, zoo als de schrandere Rapinianus in L.38 S8 ad L. Jul de adult
te recht in een ander geval zegt en daar 't nu zeer moeilijk is de drift smert
en hartzeer te maatigen cum sit difficillimum Justem Dolarem temperare, zoo als
in 't Resscriptum van D. Rius in genis Wet te vinden gezegt word,
Schijnt zulks meede, even als de dronkenschap, tot merkelijke Relevantie in
deezen te moeten strekken,
Dolor Justus einim factum relevat vind men in de L.4. Cad L. Jul. de adult en te
recht word door meergen. Moorman en van Hasselt aangemerkt inleid. II Hoofddeel
in fine:
"dat niet zoo zeer de gramschap, drift en hartzeer, zelve, als de billijke
oorzaak der gramschap de misdaad verschoonlijk en minder strafbaar maakt"
"welke onderscheiding voegen zij er bij, niet alleen gegrond is op de gezonde
reden, maar ook op 't gezag van uitdrukkelijke Wetten".
En alzoo vertrouwd de Gevange onder eerbiedige Correctie deszelfs onschuld
jeegens den Crimineele Ticht en Conclusie de Heer N.D. Eischers de Rechten meer
als genoegzaam ge„dstrueerd te hebben en leeft dus in die gegronde hoop
dat de Eisch en Conclusie des Heer Eisschers bij Ticht en Aanspraak gedaan en
genoomen zal worden ontzegd met dondemnatie van Kosten out aut alias waardoor
dan de Gevange de onschatbaare Vrijheid voor een dompig Kerker-hol, waarin reeds
meer als ‚‚n jaar heeft doorgebragt zal mooge verwisselen en zulks tot geene
geringe blijdschap van zijne Bloedverwanten zal verstrekken onder welke de
Gedaagde veele braave en welvaarende Lieden te Rosmaalen, jaa zelfs twee
Scheepenen, blijkens uit Product van den Heer Officier sub. No.1 mag tellen
Imploreerende daartoe in en op alles UW Edel Wel Achtbaaren, nobile atque
benignum Judicis Officium omni meliori modo
A.A. Van Galen, advocaat.
|