|
|
|
|
In Varia Historica Brabantica IX (1980) staat een zeer lezenswaardig stukje over kluizenaressen in en om 's-Hertogenbosch. Hieronder de tekst: Kluizenaressen in en rond 's-Hertogenbosch, ca. 1370 -1630 door dr. Lucas G. C. M. van Dijck
Laicus quidam Leydensis, ob simplicem pietatem Cluysenaer dictus, cum Amstelodamum fugeret, post varia tormenta in lacu Harlemensi submersus est.' Dit citaat luidt vertaald aldus: `Een zekere leek uit Leiden, vanwege zijn eenvoudige vroomheid Kluizenaar genoemd, is, toen hij Amsterdam ontvluchtte, na veel martelingen in het Haarlemmermeer verdronken'. Deze eenvoudige Leidenaar was niet de enige die omwille van zijn eenvoudige vroomheid zijn leven als een kluizenaar doorbracht en moest vluchten. In 's-Hertogenbosch en omgeving blijken veel eenvoudige vrouwen geleefd te hebben, die het leven in een werkelijke opsluiting als kluizenares hebben doorgebracht. Sommigen van deze vrouwen moesten in de 16de eeuw haar kluiswoning ontvluchten, maar vonden dan een veilige bescherming binnen de stadsmuren van 's-Hertogenbosch. Het was al geruime tijd bekend dat er in 's-Hertogenbosch, Vught, Oss en Driel kluizen waren geweest. Een samenvattende studie over dit verborgen bestaan was echter nog niet geschreven. Bovendien zijn er de laatste jaren vanuit de archieven zo veel nieuwe gegevens naar boven gekomen, dat het wenselijk was dit aspect van de Brabantse cultuurgeschiedenis opnieuw te belichten. Het resultaat is bijzonder positief uitgevallen, zeker als men de gesloten en weinig toegankelijke levenswijze van deze vrome vrouwtjes in aanmerking neemt. De Evangelische raad, zich van de wereld los te maken en de eenzaamheid op te zoeken, maakt het de historicus bijna onmogelijk veel over een dergelijke levenswijze te weten te komen. Het pleit voor de rijkdom van de Bossche archieven, dat er toch nog zo veel gegevens bekend zijn geworden. Interessant is hierbij dat ook over onbekende of zo goed als onbekende kluizen, zoals te Orthen, Vlijmen, Heukelum en Hintham het een en ander belicht kon worden. Van de publicaties die tot nu toe verschenen zijn met betrekking tot de kluizenaressen in Noord-Brabant, moet vooral genoemd worden: Schutjes, Geschiedenis van het bisdom 's-Hertogenbosch, 1, p. 371-378; 111, p. 48o-482; V, P. 855-856; Analecta Gijsberti Coeverincx, II, p. 64-77. Ook het Chronicon conventus Buscoducensis Ordinis Praedicatorum, (ed.) G. A. Meijer, 0. P. ('s-Hertogenbosch, z.j.) biedt enkele aanknopingspunten. Voordat we nu de gegevens per plaats gaan bestuderen, eerst een samenvatting van de bekende leefregels. Leefregel voor de kluizen van 's-Hertogenbosch, Oss en Driel (16de-eeuws). In extenso gepubliceerd in Analecta Gijsberti Coeverincx, n, p. 65-70: Al diegenen die als kluizenaar of kluizenares willen leven, moeten dat doen overeenkomstig de regels van de H. Gregorius. Zij genieten tevens een volle aflaat, verleend door dezelfde paus Gregorius.
Dan volgen dertien leefregels:
Als toevoegingen aan deze leefregels heeft Coeverincx geschreven:
De regels die te Vught in de 16de eeuw golden, zijn als bijlage I bij dit artikel opgenomen. Verschillende gebeden en riten, die de feitelijke insluiting begeleidden, kan men uitgebreid vinden bij Schutjes, I, 371-378, Analecta Gijsberti Coeverincx, II, p. 76-77 Waar vonden we in Noord-Brabant kluizen en wie hebben deze kleine huisjes bewoond?
'S-HERTOGENBOSCH De oudste gegevens over de kluis te 's-Hertogenbosch dateren van 1372 . In dat jaar kreeg op 4 januari een niet met name genoemde bewoonster van de kluis `reclusa in orto beghinarum' (een kluizenares op het begijnhof) een testamentair legaat. Uit de tekst is de conclusie gerechtvaardigd, dat er slechts één kluizenares op het begijnhof woonde. Haar kluis zal gebouwd zijn geweest tegen de kerk van de begijnen aan, dus niet tegen de St. Janskathedraal, via een doorkijkluik van binnen uit verbonden met het priesterkoor, om zodoende de communie te kunnen ontvangen. Het schijnt dat de volgende tekst de ingang van de kluis sierde, hoewel deze tekst pas uit de 16de eeuw bekend is: `Conserva mummum litis, pestis et honoris Eenen stuver ter noot, ter doet ende ter eeren'. De zin van deze spreuk schijnt te zijn: Bewaar steeds een stuiver in het uiterste geval om niet in verlegenheid te komen in geval van een proces (litis), ten tijde van pest (pestis) en als geschenk (?) (honoris). Het zal dezelfde kluizenares geweest zijn, die in een testament van 22 september 1390 door Dirk van de Aa met een gouden Hollandse gulden werd bedacht. In het begin van de 15de eeuw is de kluizenares met name bekend: Elsbeen de dochter van Klaas Ridders uit Dordrecht was ingeschreven als lid van de Illustere Lieve Vrouwebroederschap, waardoor zij genoot van alle geestelijke verdiensten van die broederschap. Haar overlijden wordt gememoreerd in de rekening van 1431-1432. In hetzelfde jaar werd als lid van dezelfde broederschap ingeschreven Heilwig, dochter van Hendrik Hoets. Zij was wederom kluizenares te 's-Hertogenbosch en zal Elsbeen hebben opgevolgd. Een generatie lang, precies dertig jaar, bewoonde zij de kluis van het begijnhof. Haar overlijden wordt vermeld in 1460-1461. We weten van haar dat ze tussen 1439-1445 onder meer twee Peters inkomsten genoot uit een jaarlijkse rente. Misschien heeft zij enkele jaren lang een medebewoonster van de kluis gehad. In 1438-1439 wordt een zuster Elze in die cluyze als overleden vermeld, eveneens als lid van de Broederschap. Zij zou echter identiek kunnen zijn met de eerder genoemde Elsbeen Ridders. Ik kies voor deze identificatie, wat zou inhouden, dat gedurende de jaren ca. I 370-1460 slechts één kluizenares tegelijk de begijnhofkluis bewoonde. Vermoedelijk waren deze kluizenaressen eerst begijn geweest, voordat zij door haar collega-begijnen werden `uitgekozen' als kluizenares. Deze situatie van één kluizenares duurde tot ongeveer 1492. Aleid, de dochter van Gerrit van Buren wordt als bewoonster van de kluis vermeld in 1467 en in 1483-1484. In beide gevallen geeft zij een volmacht aan een priester, om haar wereldse zaken te behartigen voor onder meer de schepenbank van 's-Hertogenbosch. Niet met name genoemd wordt zij eveneens vermeld in 1476-1477 en misschien in 1459-1460. Wanneer zij overleed is niet bekend. In 1490 vinden we de naam van Weindelmoed van Grave. Zij werd letterlijk ingesloten op zondag 15 november 1490. Op 13 oktober 1493 gaf ook zij een volmacht aan een priester om haar wereldse zaken te behartigen. Voor dergelijke volmachtakten kwamen de kluizenaressen uit de beslotenheid en verschenen voor de schepenen van de stad. Datzelfde jaar 1493 is in zoverre van belang dat er dan tevens sprake is van een speciale fundatie ten behoeve van de kluis. De kluizenares van het Groot Begijnhof moet een cijns van 2 pond besteden aan het branden van twee waskaarsen voor het H. Sacrament in de begijnenkerk. Wie deze fundatie bekostigde is niet bekend. Een andere stichting, waarvan de datering niet bekend is, was een gezongen heilige mis betaald door Elisabeth Verstegen. Tevens is er in 1493 nog sprake van een `oudste kluizenares', zodat men mag veronderstellen, dat er zeker vanaf dat tijdstip minstens twee kluizenaressen waren. De oudste kluizenares (steeds te interpreteren naar kluisjaren en niet naar leeftijd) kreeg uit een huis te 's-Hertogenbosch een jaarlijkse cijns van twee pond voor een gezongen heilige mis voor de overledenen, te houden op Verzworen Maandag ofwel de maandag na Driekoningen. Een andere cijns van eveneens twee pond kreeg de oudste kluizenares voor de permanente verlichting van het heilig Sacrament en voor het licht op de middelste kandelaar van het hoogaltaar in de begijnenkerk. Deze fundatie vond plaats in 1493-1494. Men kan zich niet aan de indruk onttrekken dat er in 1492-1494 een duidelijke uitbreiding van inkomsten plaatsvond, mede veroorzaakt door het feit, dat er een tweede kluizenares (in dezelfde kluis?) bijkwam. Men sprak dan ook van een `eerste' (en dus ook tweede?) fundatie. Een zekere Catharina, haar familienaam werd niet aangetroffen, werd op 8 juni 1500, Tweede Pinksterdag, feestelijk ingesloten. Zij was daarvoor al begijn geweest op het Bossche begijnhof. Catharina van Alem, eveneens begijn geweest, liet zich op 59-jarige leeftijd insluiten op 14 januari 1525, het octaaf van Driekoningen. Een bekende kluizenares, Claarke, dochter van Sander van Oss, deed misschien haar entree als kluizenares te 's-Hertogenbosch op 8 juli 1527. Interessant is daarbij de vermelding, dat zij daarbij de regel van de H. Dominicus zou volgen. Dat het niet geheel zeker is dat Claarke in 's-Hertogenbosch als kluizenares gewoond heeft, komt door de onduidelijke aantekeningen van Coeverincx, die slechts de mogelijkheid er van open laten. Wel zeker is dat Claarke vanaf 1546 in de kluis aan de kerk te Oss werd opgenomen. Daarover later in dit artikel meer gegevens. Een kluizenares te 's-Hertogenbosch over wie wat meer bekend is, was Margaretha, de dochter van Jan van Erp. Zij was 55 jaar oud, begijn geweest, toen zij besloot haar leven als kluizenares voort te zetten. Zij werd op 14 juli 1534 ingesloten door de vice-pastoor van 's-Hertogenbosch, Laurentius Cuijpers. Op 18 september van het jaar daarop verscheen zij voor de schepenen van de stad om aan de trompetter Laurens Gerritsz Gerritsz volmacht te verlenen haar wereldse zaken te behartigen. Dat gold zowel haar persoonlijke rechten en goederen, als die van de kluis. Hieruit blijkt dat er waarschijnlijk geen `meesters van de kluis' of bestuurders van de kluis waren die de verantwoordelijkheid voor de inkomsten en uitgaven en voor de levenswijze van de kluizenares op zich namen. In 1552 was de kluizenares zelf in een civielrechtelijke procedure gewikkeld en gaf zij voor schepenen van de stad nogmaals een volmacht. Zij verscheen in het stadhuis en was voor deze zaak blijkbaar ontheven van haar clausuurplicht. Margaretha overleed vóór 12 april 1557. In de 16de eeuw zijn ook enkele kluizenaressen bekend, maar niet met name. Een kluizenares van het begijnhof werd in 1532 aangeslagen voor een belasting ten behoeve van de landsheer voor 18 stuivers. Misschien betrof het hier de vermelde Margaretha, maar waarschijnlijk lijkt me dat niet. Vermoedelijk is het dezelfde niet met name genoemde kluizenares, die op 8 maart 1529 een cijns van drie Karolusgulden kocht. Bij de aflossing van die cijns, op 13 februari 1630 (!) is wel sprake van de toestemming van de 'magistri' (meesters) van de kluis. In 1515-1516 werd de kluis in ieder geval bewoond, zoals ook in i574-i575•30 In de i6de eeuw(?) kennen we nog een bewoonster, echter alleen met de voornaam Elisabeth, van wie bekend is dat zij een testament maakte. Johanna Gerritsdr. Gerritsz van Oechten, ook wel Van Thiel genaamd, werd door heer en meester Walterus van Heeze namens de bisschop van Luik in 1557 ingesloten. Als zodanig volgde zij de overleden Margaretha van Erp op.32 Belangrijk in de desbetreffende oorkonde van 12 april 1557 over deze opvolging, is de uitdrukking dat er `één kluis' is ('unum inclusorium'). Vermoedelijk was er steeds één kluis geweest, maar vanaf ca. 1493 bewoond door soms één soms twee kluizenaressen. Datzelfde zien we ook in de kluizen van Vught die voor twee vrouwen bestemd waren. Eveneens blijkt uit dezelfde oorkonde, dat er sprake is van `rectrices', bestuursters van het begijnhof, die de keuze van een nieuwe kluizenares medebepalen. Zij stemden in met de insluiting van de nieuwe bewoonster, de vroegere begijn Johanna van Oechten, die van Gelderse origine was. Het presentatierecht van deze benoeming berustte bij de deken en het kapittel van de St. Janskerk. Bij de insluiting beloofde Johanna de regel van St. Augustinus te volgen, gehoorzaamheid aan God, Maria, de H. Dominicus en de bisschop van Luik. De vermelding van de H. Dominicus is wellicht verklaarbaar omdat zij lid is geweest van de derde orde der Dominikanen. Eveneens was zij lid van Illustere Lieve Vrouwebroederschap, waar zij onder de naam Johanna Gerritsdr van Thiel haar `overlijdensbedrag' voor haar dood (ante obitum') betaalde in 1557-1558. In 1583 werd Maria de dochter van Rutger Rutgers, waarschijnlijk uit Driel afkomstig, ingesloten. Zij was eigenlijk voorbestemd voor de kluis van de kerk te Driel, net over de Maas in de huidige provincie Gelderland. Aangezien deze kluis echter gerestaureerd moest worden, vond de insluiting te 's-Hertogenbosch plaats. Gezien de politieke en kerkelijke situatie vermoed ik, dat Maria daarna niet meer in Driel als kluizenares geleefd heeft. Zie verder ook onder Driel in dit artikel. De laatstbekende kluizenares in 's-Hertogenbosch was Margriet van Bakel. In een testament van 22 december 1605 wordt zij met een legaat bedacht. In 1630 is er nog wel sprake van de meesters van de kluis, maar dat hoeft niet te betekenen, dat de kluis nog bewoond was. Conclusie. De kluis van 's-Hertogenbosch stond naast de begijnenkerk - en was vrijwel voortdurend bewoond vanaf minstens 1372 door één kluizenares en vanaf ca. 1493 door twee kluizenaressen. De regel werd, althans in de 16de eeuw, gevolgd van St. Augustinus en was, eveneens in de 16de eeuw, voor 's-Hertogenbosch, Oss en Driel gelijk. De laatste kluizenares leefde nog in 1605. De benoeming van de kluizenares geschiedde op voordracht van de `rectrices' van het begijnhof, met toestemming van het kapittel van St. Jan en door de bisschop van Luik, later van 's-Hertogenbosch. Van de ca. 15 bewoonsters van de kluis zijn er 12 met name bekend. Gezien de familienamen van deze vrouwen moeten we er van uitgaan dat zij uit de meer eenvoudige families afkomstig waren. Van enkele kluizenaressen is bewezen dat zij eerst als begijn geleefd hebben en pas op latere leeftijd tot de insluiting overgingen.
VUGHT Vught bestond uit twee parochies: Vught St. Petrus en Vught St. Lambertus. De Lambertuskerk werd bestuurd en bediend door leden van de commanderij van de Duitse Orde aldaar, terwijl de Petrusparochie werd bestuurd en bediend door wereldgeestelijken. Frappant is dat in beide parochies een kluis was gebouwd. Eigenlijk was Vught het belangrijkste centrum voor het kluizenaarschap in de huidige provincie Noord-Brabant. Vught-St. Lambertus De kluis in deze parochie werd gesticht op 12 augustus 1417 door Gertrudis, dochter van wijlen Dirk Bolant. Zij legateerde een huisje met hof en tuin, gelegen naast de kerk, aan twee vrouwen, die er als kluizenares zouden moeten leven. De benoeming zou steeds moeten geschieden door de rector van de kerk en door de kerkmeesters. Het merkwaardige is, dat we van de verdere geschiedenis van deze kluis niets afweten, terwijl over de kluis van de St. Petruskerk zeer veel bekend is. Ook zijn er veel kluizenaressen in Vught bekend geworden, maar er staat in de archivalia niet steeds bij vermeld tot welke kluis zij behoorden. Omdat er echter soms bijstaat dat zij bij de kluis van de St. Petrusparochie behoorden en nooit vermeld wordt dat zij tot de Lambertuskluis behoren, is het vermoeden gerechtvaardigd, dat deze laatste kluis alleen gesticht is, maar feitelijk niet bewoond is geweest. Ofwel het testament is nooit uitgevoerd ofwel er was geen belangstelling voor de kluis. Vught-St. Petrus Deze kluis werd gesticht door Johannes Betten, op 3 juni 1410. De stichtingsakte werd gepasseerd in het woonhuis van heer Tielman van Doorn (de Spina), wonend bij de Geerlingsbrug te 's-Hertogenbosch, en als getuige trad op Aleid, dochter van wijlen Egbert Smit (Faber) van Boghen. In een Vughtse schepenbrief van 3 juni 1410 werd de stichting nogmaals bevestigd en tevens werd bepaald, dat de prior der Dominikanen in 's-Hertogenbosch, die als collator was
Stichting van de kluis te Vught, St. Lambertus door Gertrudis, dochter van wijlen Dirk Bolant, 12 augustus 1417. Foto: J. van Assen, Rijksarchief in Noord-Brabant, 's-Hertogenbosch.
benoemd door de stichter, het huisje c.a. nooit zou mogen verkopen. De kluis zou bestemd zijn voor twee vrouwen, te benoemen door de prior van de Dominikanen te 's-Hertogenbosch. Dit benoemingsrecht werd ruim 200 jaar later door de prior overgedragen aan de bisschop van 's-Hertogenbosch, Nicolaas Zoes. Indien een van de bewoonsters van de kluis kwam te overlijden, had de andere het recht van coöptatie. De stichter, Johan Betten, wees in 1410 zelf de eerste twee bewoonsters aan : Elisabeth, dochter van wijlen Dirk van den Hove en Elisabeth van Wilpen (of van Wilsten). Hoelang beide vrouwen in de kluis geleefd hebben is niet bekend. Wel blijkt echter de kluis in 1431 bewoond te zijn door twee vrouwen, wanneer zij een jaarlijkse pacht van vijf lopens tarwe verkrijgen. Ook in 1439 bewonen twee kluizenaressen het huisje, wanneer zij een pacht ontvangen na de dood van de eerder genoemde Elisabeth van den Hove. In 1467-1468 is een zekere Alveraad bekend (haar familienaam is onbekend), wanneer zij zich als lid van de Illustere Lieve Vrouwebroederschap opgeeft. Geertruid, natuurlijke dochter van de priester Jorden Ansems, bewoonde de Vughtse kluis vanaf 1492-1493, toen zij eveneens werd ingeschreven als lid van de broederschap. Zij deelde haar woning, zeker vanaf het najaar van 1498, met Mechteld, dochter van wijlen Adam Andriesz. Op drie november van dat jaar sloten beide vrouwen, wonend `retro chorum ecclesie' (achter het koor van de kerk), een lening van veertien Peters achttien stuivers. Met toestemming van de prior der Dominikanen te 's-Hertogenbosch verkochten beiden op 11 februari 1499 een pacht van vijf sester rogge, afkomstig van Willem Dickbier. Interessant is een akte van 17 oktober 1498, waarbij de beide kluizenaressen (Mechteld wordt hierbij abusievelijk dochter van Mathias Andriesz genoemd) goederen verkregen van Aleid, dochter van Jan Willem Kemp en van Bertha van de Capellen te Oirschot. Als tegenprestatie beloven zij Aleid op te nemen in de kluis, haar te voeden en te kleden en haar het recht van opvolging te geven, zodra een van beide bewoonsters overleden is. In deze akte wordt geen melding gemaakt van een toestemming van de bisschop, de prior van de Dominikanen of de kerkmeesters. Wellicht dat die toestemming in aparte akten gegeven is of stilzwijgend verleend. Geertruid, dochter van heer Jorden Ansems, overleed in 1519-1520 en bewoonde dus minstens zevenentwintig jaar de kluis. In 1517 werd zij vermeld als eigenares van een lijfrente op de stad 's-Hertogenbosch. Zij wordt in de Bossche bronnen genoemd `begijn in de cluijse'. Ik vermoed niet dat dit betekent, dat zij eerder als begijn in 's-Hertogenbosch of elders heeft geleefd. Vught had geen begijnhof. Over haar opvolgster, Aleid, dochter van Arnd Cupers, zijn weer enkele gegevens bekend. In 1521-1523 nam zij deel aan de stadsloterij van 's-Hertogenbosch. Blijkbaar was het speculeren op een zeer waardevolle eerste prijs (een grote schaal van zilver) niet in strijd met haar evangelische levenswijze van versterving en armoede. Op 10 november 1522 verklaren de kerkmeesters van de St. Petruskerk met toestemming van de aartsdiaken van Kempenland, met geld, afkomstig van Sophia, weduwe van Gerlacus van Nuwelandt, ten behoeve van de kluizenares Aleid Cupers, gesticht te hebben: een officie (= koorgebed) van negen lezingen en een mis der overledenen ter memorie van alle kluizenaressen en haar ouders, te houden op ieder jaar op Verzworen Maandag. Tien jaar later, op 24 september I532, blijkt de kluis bewoond te zijn door Aleid Eymberts Jansz. Zij kiest dan als medebewoonster Katharina, dochter van Jan van Vucht. Dit gebeurt met toestemming van Anselmus van Gemert, prior O.P. te 's-Hertogenbosch en in tegenwoordigheid van de bekende theoloog en auteur Jan van Baerle O.P., mr. Henricus Cuypers en diens moeder Sofia. De laatsten zouden verwant kunnen zijn aan de kluizenares Aleid Cuypers. Kluizenares Aleid, dochter van Eymbert Jansz., vinden we verder vermeld op 11 augustus 1541, als met haar een lening wordt gesloten. Samen met haar medebewoonster verkoopt zij enkele goederen op 24 mei 1546. Waarschijnlijk overleed zij kort voor 20 juli 1556, wanneer Catharina Jansdr. van Vucht op eigen beurt een nieuwe bewoonster kiest. Het is Elisabeth, dochter van Gerard Goessens van Boextel. De tekst van deze uitverkiezing is in extenso elders reeds uitgegeven. Op 20 oktober 1556 vond de benoeming van Elisabeth plaats. Als getuigen traden o.a. op de pastoor van de St. Petruskerk (Alardus Arnolds) en de vice-pastoor van de St. Lambertuskerk (Guido Vermeer). Na 1556 zijn de gegevens betreffende de Vughtse kluis veel schaarser. In 1575 woonde er in ieder geval een kluizenares. Zij wordt vermeld in het testament van Joachim van Oprode, kanunnik te Utrecht en bisschop i.p.i. van Hebron :`een geesteliijcke persone tot Vuecht by Den Bosche, die op het kerekhof van de oude kercke plach te wonen'. In 1593 blijkt de kluis bewoond door Jenneke Maet. In dat jaar maakte zij een zeer primitief testament, waarin tevens een lijst van bezittingen wordt opgesomd. De lijst bevatte onder meer: Twee koetsbedden zonder hemel, twee gewone bedden, enkele lakens en dekens, zes tinnen schotels, een bak en een kan, twee koperen potten en nog wat koper, een kistje, een stoel, twee lege kistjes e.d. Haar persoonlijke eigendommen vermaakt zij aan familie en bekenden, zoals haar wollen en linnen kleren, twee 'taeffelkens' (= kleine schilderijtjes?), die zij bij zich heeft ten huize van jonker Aard Heym, kleine boeken. Grote boeken zijn echter het bezit van `de huyse tot Vucht', zoals ook een mand en een kuip. Dit zeer schamele bezit vormde de inboedel van de kluis. Jenneke beschikte er over: `Dit is mijnen wil om dat ick anders geen macht en hebbe sonder mijn ziel te besmetten'. Uit de tekst lijkt de conclusie voor de hand te liggen, dat zij ten tijde van het testament woonde in het huis van de familie Heym, het huidige kasteel Maurick. Gezien de politiekkerkelijke situatie is dat zeer begrijpelijk. In 1624 richtte de laatste (?) kluizenares zich tot de bisschop van 's-Hertogenbosch. Zuster Jenneke Merssier verklaarde dat de kluis c.a. de laatste jaren reeds twee maal was overvallen en beschadigd. De legertroepen, die er de laatste keer waren geweest, hadden de deuren en wanden zwaar beschadigd. Reparatie zou een kostbare zaak worden. Het jaarlijks inkomen van Jenneke, 20 gulden, was niet toereikend om een dergelijke restauratie te bekostigen. In de zomer van 1624 moest zij de kluis verlaten en vestigde zij zich in 's-Hertogenbosch. Zij vraagt nu toestemming aan de bisschop om het huisje te Vught te mogen verkopen en daarmee een huisje te 's-Hertogenbosch te betalen. Op 27 november gaf bisschop Zoesius toestemming, waarna de kluis in alle waarschijnlijkheid verkocht zal zijn. De schepenbanksarchieven van Vught zijn op dit onderwerp nog niet nader bestudeerd en zouden een schat aan gegevens kunnen verschaffen. Rond dezelfde tijd vinden we Jenneke nog vermeld in een testament van de pastoor van Vught-St. Lambertus, wanneer zij een legaat ontvangt. Hoe lang de laatste kluizenares geleefd heeft is niet bekend, maar wel is er in 1677 nog sprake van de goederen van de kluis te Vught. Ook wordt dan vermeld dat de laatste kluizenares onlangs overleden Conclusie. Al bij al mag men Vught een ereplaats geven in de geschiedenis van de vroomheid in Noord-Brabant. Twee kluizen, waarvan één permanent bewoond door twee vrouwen, en dat gedurende 200 jaar, is een uniek gegeven in de devotionele geschiedenis van onze streken. De gegevens over Vught geven ons ook een duidelijker beeld van, de inkomsten die verbonden waren aan de kluis. We zagen reeds dat in 1624 het inkomen lag rond de 24 gulden. Een niet gedateerde inventaris van de inkomsten levert het volgende lijstje op: 10 1/2 sester rogge uit St. Michielsgestel (2 oorkonden) 5 sester rogge uit Enode (2 oorkonden) 1 malder rogge uit Haaren (1 oorkonde) 1 malder rogge uit Boxtel (1 oorkonde) 3 stuivers uit goederen te Vught (1 oorkonde). Verder is er sprake van een verwerving van 31/2 voet land te Vught, van 22 'briefkens met segels van alderhande saecken die de cluijsse sijn aengaende'. Voor de verdere inkomsten raadplege men de in de voetnoten aangehaalde akten, voornamelijk uit het Bosch' protocol. De gegevens zijn vrij schaars, maar rechtvaardigen de indruk dat de kluizenaressen inderdaad overeenkomstig hun geloften zeer eenvoudig hebben geleefd. Hun eenvoud kwam ook tot uiting in de geestelijke `bagage'. Men leze hiervoor de als bijlage opgenomen leefregels, waaruit blijkt dat slechts enkele eenvoudige Nederlandse gebeden tot de dagelijkse verplichting van het geestelijk leven behoorden. Het meest interessant is de kluis van de kerk van Orthen, de moederparochie van 's-Hertogenbosch, omdat het hier om een zo goed als onbekende kluis gaat. De eerste bewoonster was Lijsbeth van Bommel, dochter van Peter van Herwerden. Zij wordt vermeld in een akte van 1465. In de archieven van de H. Geesttafel van 's-Hertogenbosch blijkt zij in 1467-1468 een lijfrente van twee mud rogge op de tafel te genieten : `Item der clusenerster van Orthen van twee mud roggen die men hoir lijflijck gilt tegen hoir gecoft van enen jair durend voer xxxiij st. maken iij Rg viiij st'. In 1506-1507 woonde er een andere vrouw in de kluis. Lijsbeth van Malsen werd in dat jaar lid van de Illustere Lieve Vrouwebroederschap. Zij betaalde in 1520-1521 haar doodschuld vooraf ('ante obitum'). Zij is waarschijnlijk identiek aan de kluizenares Lijsbeth van Mulsel, natuurlijke dochter van Jan van Mulsel, die in 1520-1524 een lijfrente genoot op de stad 's-Hertogenbosch." In 1535 was de kluis nog steeds bewoond door een overigens niet met name bekende vrouw, die toen een erfcijns van drie pond uit goederen te Orthen ontving. Zij wordt in de akte genoemd `inclusa dicta soror der cluijsenersse in Orthen pro tempore commorans'. De in de Bossche Bijdragen vermelde kluizenares uit de 15de eeuw zal waarschijnlijk de eerstgenoemde Lijsbeth van Bommel moeten zijn. Meer dan zeventig jaar kluisbestaan is van Orthen niet bekend. VLIJMEN De kluis te Vlijmen is evenals die van Orthen bijna onbekend. De gegevens gaan terug tot de eerste helft van de 14de eeuw. In 1439-1445 woonde een zekere Mechteld in het huisje. Zij genoot onder meer één Arnoldusgulden aan inkomsten. In 1450- 1451 werd zij als lid van de Illustere Lieve Vrouwebroederschap ingeschreven, terwijl haar dood in de broederschapsrekeningen wordt gememoreerd in 1459-1460. De volgende bewoonster was Kathelijn, de dochter van Adriaan Andriesz. Dirksz. In 1467-1468 betaalde zij als lid van de broederschap haar doodschuld vooraf (`ante obitum').' De derde en laatstbekende bewoonster van de kluis was Geertruid Wouters. Zij werd als lid van de broederschap ingeschreven in 1503-1504, terwijl zij haar `ante obitum' betaalde in 1523-I524. Bijna honderd jaar is de kluis van Vlijmen dus zo goed als permanent bewoond geweest. HINTHAM Een geheel onbekende kluis stond te Hintham, indien we althans een vrij vage tekst goed interpreteren. In 1521-1522 nam Heesken, `die weduwe van den cluijs maight' te Hintham, deel aan de stadsloterij van 's-Hertogenbosch. Het is mogelijk dat deze tekst op de volgende wijze geïnterpreteerd moet worden: Heesken, een weduwe, wonend te Hintham, was de 'maight' (lees: `hulp') van een kluizenares te Hintham of in de omgeving. Ik vermoed echter dat de post aldus gelezen moet worden: Heesken, een weduwe, was kluizenares te Hintham, waar zij verder als ongetrouwde vrouw (`maight') in een kluis wilde leven. Dat is alles wat over deze kluis bekend is. De meeste kluizenaressen te 's-Hertogenbosch en omgeving kwamen uit tamelijk eenvoudige families. De meisjes uit de rijkere families traden meestal in bij de Clarissen of in de naburige kloosters van Hooidonk of Ten Hage te Helmond. Eén uitzondering op deze regel was Ida, de dochter van de rijke Jacob van Casteren uit 's-Hertogenbosch. Zij werd kluizenares te Schaarbeek bij Brussel in 1550. Met het oog daarop maakte de familie voor haar een jaarlijkse cijns van 36 gulden (!) vrij. Wellicht betrof het hier meer een kluis van standing, waar een zekere eruditie verondersteld werd? OSS Slechts één kluizenares heeft de Osse kluis bewoond: Claarke Sanders uit Oss. Over haar heeft J. Cunen uitvoerig geschreven, zodat we er hier kort over kunnen zijn. Claarke was misschien kluizenares in 's-Hertogenbosch geweest en liet zich in 1546 in de Osse kluis inmetselen. Bijna vijftig jaar heeft zij in haar huisje gewoond. Zij moet na 23 augustus 1591 overleden zijn, toen zij op die datum haar testament opmaakte."' DRIEL Van die kluis zijn slechts twee bewoonsters bekend: Johanna Gielijsdochter, die op10 juli 1560 overleed; opgevolgd door Maria Rutgers. Robert van Bergen, bisschop van Luik gaf voor deze opvolging toestemming, waarna Maria ongeveer 23 jaar in de Drielse kluis leefde. In 1583 moest zij de wijk nemen naar 's-Hertogenbosch, omdat de Drielse kluis verwoest was. Zij werd nu ingesloten te 's-Hertogenbosch in de kluis van het begijnhof. De resten van de kluis te Driel zijn aan de kerk nog aanwijsbaar. HEUKELUM Vanuit de Bossche archivalia is slechts één gegeven bekend over een kluis te Heukelum. In het jaar 1460-1461 werd een zuster Aleid, kluizenares te Heukelum, ingeschreven als lid van de Illustere Lieve Vrouwebroederschap. KEULEN Tevens kan daar nog aan toegevoegd worden dat een zekere weduwe Heilwig Cloetten, `inclusa apud S. Ceciliam' te Keulen, ais lid van de broederschap werd ingeschreven in 1472-1473. Ook in Zaltbommel heeft een kluis gestaan in het eerste kwart van de 15de eeuw. Aangezien er echter vanuit de Bossche archivaliën niets over bekend is, sla ik die kluis in dit artikel over. Uit de archieven van 's-Hertogenbosch blijkt nu overduidelijk dat we met een cultuurhistorisch boeiend gegeven te maken hebben. Liefst 42 kluizenaressen, van wie ca. 37 met name bekend, blijken er in de periode ca. 1370-1630 naar boven te komen. Wie de naslagwerken over de Nederlandse kerkgeschiedenis raadpleegt, vindt van dit verschijnsel geen vermelding of bestudering. Het zou de moeite waard zijn om meer regio's in Nederland op het bestaan van kluizenaressen te bestuderen. Het blijkt voor 's-Hertogenbosch en omgeving voor de gehele 15de en 16de eeuw een onmisbaar element in de samenleving geweest te zijn, dat vrouwen zich in de absolute eenzaamheid en verborgenheid terugtrokken om in de grootst mogelijke lichamelijke en geestelijke soberheid te leven. Tevens komt er vanuit dit artikel nogmaals duidelijk naar voren dat het a. absoluut noodzakelijk is veel meer gebruik te maken voor het historisch onderzoek van oostelijk Noord-Brabant van de akten van het Bosch' protocol; b. van groot belang is de ledenlijsten van de Illustere Lieve Vrouwe broederschap op wetenschappelijke wijze uit te doen geven. Deze beide bronnen (Bosch' protocol en rekeningen Illustere Lieve Vrouwe Broederschap) vormen de peilers voor de Bossche cultuurgeschiedenis en wellicht nog meer voor de Bossche economische en sociale geschiedenis. |
U kunt een e-mailbericht met vragen of opmerkingen over deze website verzenden aan
pvandinther@chello.nl.
|