Omhoog Inhoud

 
 Het Lombardje

 

Start

 

Jos van der Vaart  (*Den Bosch, 23-7-1919 + 19-3-2000) stond bekend als ondernemend en vindingrijk op historisch gebied. Hij was een persoonlijkheid die zich energiek toonde in zijn doen en laten. Zijn krachtige stem en zijn niet aflatende inzet voor het behoud van de Bossche bouwhistorie waren zijn handelsmerken.

Jos van der Vaart, zoon van de directeur van de manufacturenhandel Van der Vaart in de Hinthamerstraat. Studeerde voor architect. Hij trad na zijn studie in 1953 in dienst bij de gemeente 's-Hertogenbosch, afdeling Stadsontwikkeling. Daar speelde zich in de jaren zestig de tragedie af rondom demping van de Binnendieze en het slopen van gevelrijen ten behoeve van autowegen.

Als reactie daarop heeft Van der Vaart, inmiddels gevestigd met een zelfstandig architectenbureau [1957], de Boschboom opgericht [1968] om op die manier tegen die plannen te kunnen optreden.... en met succes ! Maar Van der Vaart werd als architect nimmer door de gemeente gerespecteerd. Pas veel later zou hij erkend worden maar dan als beschermer van het Bossche cultuurhistorisch erfgoed.

 

 

Het Lombardje: Jos van der Vaart, architect h.b.o

Uit: Boschboombladeren 28, 1982.

Wanneer men wil komen tot een gezonde stadsontwikkeling en een verantwoorde stadsvernieuwing van de oude Bossche binnenstad, moet men onder meer het historische ontwikkelingsproces tastbaar houden en zo mogelijk opnieuw afleesbaar maken. De functie van de oude binnenstad, middelpunt zijn van het totaal stedelijk gebeuren, moet worden veilig gesteld. De plaatselijke overheid dient dit als een van haar belangrijkste taken te beschouwen. In dit verband is het opnieuw functioneel maken van het zogenaamde Lombardje een prijzenswaardig initiatief geweest. De oudste Bosschenaren herinneren zich ongetwijfeld de levendigheid van deze buurt, gevormd door de straten Achter het Stadhuis, Achter het Wild Varken, het Lombardje en het Klein Lombardje (zie bijlage 1). Hier werd geleefd en gewerkt, al was de woonsituatie er verre van ideaal. In de zestiger en zeventiger jaren raakte de buurt onbewoond en verkommerde. De leegloop van de binnenstad in die jaren was wel een van de belangrijkste oorzaken hiervan. De verkrotte bebouwing werd spoedig voor alle mogelijke doeleinden in gebruik genomen. Maar onderhoud, onontbeerlijk om behuizing bewoonbaar en in stand te houden, bleef uit. Vóór ook hier een kale plek de binnenstad ging ontsieren, ontstond het initiatief tot reconstructie en herbouw. Het plan Lombardje is een antwoord op de vraag: hoe kan men met een oude stad omspringen om haar opnieuw leefbaar te maken en te houden? Dit was natuurlijk ook op andere wijze mogelijk geweest, zoals via kaalslag en uit schaal en toon vallende bebouwing. Stadsontwikkeling is een continu groeiproces, waarin vele factoren meespelen; tenslotte krijgt het bouwplan een door de politiek bepaald stempel mee. De ervaring van de ouderen onder ons, die zich deze stadsbuurt nog van vroeger herinneren, is treffend. Nu de bouwbedrijvigheid rond het herstel van het Lombardje ten einde is en de schutting is weggehaald herkennen zij een reeds lang vergeten maar vertrouwd straatbeeld. Voor hun gevoel is er al die jaren nauwelijks iets veranderd. Ondanks het nieuwe woongerief achter de herstelde gevels is er de sfeer van de oude straat terug; alleen de bewoners en gebruikers ontbreken nog.

 

Naamsverklaring

De naam Lombardje zal sommigen wat vreemd aandoen. Nu deze buurt in haar verjongde gedaante weer gaat functioneren, is het daarom interessant na te gaan, waar deze naam vandaan komt en hoe de oorsprong is van dit zogenoemde woon-, winkelgebied.

Bestuderen wij de situatie van het Lombardje en de directe omgeving aan de hand van het kadastrale minuteplan van ± 1823, zoals de Boschboom dat heeft bewerkt en uitgegeven, dan valt ons het volgende op. Het gedeelte van het Bossche binnenstadsgebied, dat ingesloten wordt door achtereenvolgens de straten: Achter het Stadhuis, Achter het Wild Varken, de Wolvenhoek en de Waterstraat en dat aan de oostzijde begrensd wordt door de rivier de Dieze - tegenwoordig ook de Verwersstroom genoemd - is in twee karakteristieke delen te splitsen. Deze beide zijn onderling gescheiden door een smal, doodlopend straatje, een beluik, het Klein Lommertje. Het zuidelijke gedeelte heeft een open, onbebouwd binnenterrein, bij de aangrenzende panden van de Wolvenhoek in gebruik als tuin. De nokrichting van de bebouwing staat loodrecht op de voorgevelrooilijn langs de Wolvenhoek. Het noordelijk deel echter kent een meer compacte, in elkaar verstrengelde bebouwing, vermoedelijk ontstaan uit een drietal oorspronkelijke bouwpercelen. De richting van de nok is tegengesteld aan die van het zuidelijk deel. Hier staat de nok loodrecht op de rooilijn van Achter het Stadhuis en is evenwijdig aan de rooilijn van Achter het Wild Varken. De bebouwing hier heeft vanaf het ontstaan front gemaakt naar de straat Achter het Stadhuis. Dit deel wordt nog eens doorsneden door een smal steegje het Lommertje genaamd. Dit steegje staat in relatie met Klein Lommertje via een laag poortje dat je alleen bukkend kunt passeren.

De schrijfwijze van de beide straataanduidingen is volgens het huidige gebruik respectievelijk: Lombardje en Klein Lombardje. Deze karakteristieke naam is ook aan dit stadsvernieuwingsproject gegeven en blijft hierdoor voor de toekomst behouden.

Op een andere plaats in de naaste omgeving vinden wij de genoemde aanduiding terug. De overkluizing over de Mortelgracht ter plaatse van de Keizerstraat staat bekend als de Lombartsbrugge. Over deze brug wordt in 1430 een erf tegenover 't Zevenbergshuis naast de stroom aldaar omschreven als: `vroeger genaamd: der Lombart erve'. En op 25 oktober 1496 wordt er gesproken over: `die Husinge van den Lombarden achter de St. Joriskapel achter aan die Diese'. Rond 1468 wonen Olyvier Olyviers en Marten Janss in het Lombardenhuis en Jan van Gemart was hier kok.

In deze namen hebben de Lombarden, handelslieden uit Noord-Italië, het zogenaamde Lombardije, in dit deel van de stad een onuitwisbaar spoor achtergelaten. Met de bekende spaarzame vroege vermeldingen uit het Bossche Protocol is de topografie van het gebied nog niet zodanig te reconstrueren, dat de relatie van de Lombarden - die tot deze naamgeving inspireerden - met dit gebied onomstotelijk kan worden aangetoond. Misschien kan men in deze Lombarden namen de eerste aanduidingen zien van stedelijk leven op deze plek; stedelijk leven dat zich ontwikkelde aan de zuidflank van de stad buiten de oude stadsmuur op de rand van het agrarische gebied met name aan de rand van het goed de Mortel. Niet onmogelijk is op een later stadium eveneens aan de rand van het goed de Hulst woonbebouwing tot stand gebracht en zijn Hulst en Mortel met elkaar in relatie gebracht door de brug die naar de eerste bewoners ter plaatse de Lombartsbrugge is genoemd. Deze Lombardenbuurt buiten de stadsmuur was niet alleen aantrekkelijk door de nabijheid van de Markt - welke vorm en grootte deze toen ook gehad moge hebben - waarmee wellicht via de verdwenen Kaathovense poort, in het verlengde van het Lombardje gelegen, een rechtstreekse verbinding bestond, maar ook door de nabijheid van een kleine Jodenbuurt, die zich enige decennia eerder had gevormd voor de zich hier bevindende Antwerpse poort.

 

Handelsbewegingen in de 11e en 12e eeuw

Het ontstaan van onze stad is, evenmin als het feit dat zich hier weldra Joodse en Noorditaliaanse handelslieden vestigen, geen verschijnsel op zich geweest. In de 11 e en 12e eeuw voltrekt zich het verstedelijkingsproces in geheel West-Europa. De lakenindustrie breidt zich uit. Marktnederzettingen ontstaan. De Rijn verbindt het gebied via Alpenpassen met Noord-Italië en via Regensburg met het Donaugebied. Door handelsrelaties worden Keulen en Tiel met Londen verbonden. Rijnlandse en Westfaalse handelaren alsmede Zuidnederlandse immigranten in Sleeswijk-Holstein leggen de relatie tussen het noordoosten (Lubeck) en het zuidwesten (Brugge e.o.). De aanwezigheid van handelaren vol ondernemingslust, moedig, bereid verre reizen te ondernemen, garanderen de afzet van de producten van de nijverheid. Deze wordt daardoor gestimuleerd zich verder uit te bouwen. Het vrije, niet grondheerlijk gebonden ambacht zoekt de nabijheid van handelaren en markt. De ambachtslieden trekken naar de stad. De geschetste ontwikkeling van de middeleeuwse stedelijke markteconomie moet men zien in relatie met de toenemende ontginningsactiviteiten op het platteland. De landbouwer wordt de afnemer van de stedelijke producten en de leverancier van de eerste levensbehoeften van de stedeling. Handel en ambacht worden tot stedelijke activiteiten. Een taakverdeling tussen stad en land begint zich door te zetten. In dit proces speelt de stedelijke markt een gewichtige rol.

In alle tijden zijn er mensen die, gedreven door nood of hebzucht, geld lenen. Waar onbaatzuchtige hulp zeldzaam is, is renteheffing zeer gebruikelijk. Kerk en kerkvaders hebben reeds vroeg en voortdurend gewaarschuwd voor misstanden rond het lenen van geld. Ambrosius noemde alles wat aan het kapitaal toegevoegd werd woeker. Door kerk en concilies wordt renteheffing herhaaldelijk als woeker veroordeeld en wordt de woekeraar uitgesloten van kerkelijke bediening en begrafenis. Het feit dat de kerkelijke veroordelingen zich door de eeuwen heen herhalen, verraadt dat men gewoon doorging met rentepercentages te berekenen. Het lijkt in dit verband hypokriet dat zelfs kerkelijke bestuurders, gedreven door geldnood, tegen rente geld lenen. Bij gebrek aan oorspronkelijke teksten kunnen wij alleen vermoeden, dat er ook in het Brabantse een beroep zal zijn gedaan op geld van anderen.

Volgens Edith Ennen is de handel in ZuidEuropa, speciaal wat betreft luxeartikelen en specerijen, vanouds voor een aanzienlijk deel in handen van Joodse kooplieden. In Keulen zijn Joden aanwezig vanaf de Romeinse tijd (zie bijlage 2). Met de reeds gesignaleerde handelsbewegingen verspreiden zij zich vanaf het einde van de 11 e eeuw over de West-Europese landen. Wanneer in deze periode de kruistochten een aanvang nemen, onder invloed waarvan de handel een sterke stimulans krijgt, ontstaat tegelijkertijd een religieuze onverdraagzaamheid jegens de Joden. Bij een uitbarsting in Keulen in mei 1096 worden ongeveer 200 Joden omgebracht. De Joden die aan de volkswoede ontkomen, worden door de Keulse aartsbisschop op verschillende plaatsen in veiligheid gebracht. De vervolgingen in Keulen en het gehele Rijnland zijn mede oorzaak dat de Joden zich vestigen in de jongere handelscentra. Nog vindt men in de nabijheid van markten aanduidingen, die de aanwezigheid van Joden daar aantonen, zoals bijvoorbeeld de namen het Jodenrijtje te Utrecht, de Jodenstraat met om de hoek de Muntstraat te Maastricht, de Jodenberg te Nijmegen, Jodenkamp te Groningen, Judengasse te Aken en Keulen, het Juden-Viertel te Trier en in 's-Hertogenbosch de Porta Judeorum of Jodenpoort nabij de vicus selli parorum (de zadeleerstraete), waarvan in een oorkonde van 1309 sprake is en Achter het Stadhuis dat volgens Van Heure ook wel Jericho heette naar de vele Joden die in de middeleeuwen in deze straat woonden. In deze en vele andere plaatsen drijven de Joden misschien vooral de geldhandel, waarmee zij om allerlei redenen vertrouwd zijn. Zij vallen immers niet onder de kerkelijke bepalingen die renteheffing trachten tegen te gaan. Bovendien hebben zij door hun onderlinge verbondenheid een zakelijke kijk op en kennis van muntwaarden elders in de wereld. De situatie is in de 13e eeuw veranderd. De ontwikkeling van het economische leven brengt een toenemende stroom van koopwaar en een groeiende behoefte aan geldmiddelen. Ook vorsten en grondheren, voor wie de inkomsten uit eigen goederen niet langer toereikend zijn, hebben steeds meer baar geld nodig. Daarnaast liggen de voornaamste moeilijkheden van stedelijke nederzettingen ook op financieel terrein. Openbare voorzieningen moeten worden aangebracht, zoals aarden wallen en stadsmuren, terwijl de middelen hiervoor ontbreken. Dit alles brengt met zich mee, dat men steeds meer gedwongen is geldleningen aan te gaan. Geldhandelaren brachten hierin uitkomst. Onder hen zijn zoals reeds opgemerkt en om de reeds opgesomde redenen Joden het meest voorkomend. Deze situatie en het inspelen op een toenemende behoefte heeft de sympathie jegens hen niet bevorderd. Integendeel, hun wordt vaak woeker verweten, waar zij rente vroegen van christenen. Op de kerkvergaderingen van 1179 en 1215, respectievelijk het derde en vierde Lateraans concilie, komen discriminerende bepalingen tot stand; christenen wordt het verboden tussen ongelovigen te wonen. Daardoor ontstaan de grote en kleine Jodenkwartieren, de getto’s waar de Joden samenwonen. Christengemeenschappen mogen hen ook niet huisvesten; vandaar de ligging van deze kwartieren juist buiten de stadsmuur zoals in 's-Hertogenbosch waar de Antwerpse poort daarom ook wel Jodenpoort wordt genoemd. In Keulen echter genoten de Joden om welke reden dan ook van een bevoorrechte situatie. Zij bezaten er een waar monopolie, zozeer zelfs dat de Lombarden zich er niet blijvend konden vestigen. De Joden kenden in Keulen eigen burgerlijke en religieuze organisaties. Zij bezaten er een synagoge, kerkhof, school en eigen rechtspraak. In het algemeen trouwens genoten de Joden in het Duitse Rijk bescherming van kerk en keizer. Waar het hertogdom Brabant kerkelijk tot het aartsbisdom Keulen behoorde en deel uitmaakte van het Duitse Rijk, is het begrijpelijk dat de Joden er in een vergelijkbare situatie verkeren. Hier neemt men vanaf het einde van de 12e eeuw of het begin van de 13e eeuw Joden waar. In 1253 zijn er Joden in de kleine Brabantse stad Zoutleeuw. Op 16 november 1253 betaalt Willem de Rijckel, abt van Sint-Truiden hun een som van 10 ponden, 1 stuiver en 10 penningen Luiks. Dit bedrag was hem geleend door Otto de geldwisselaar van Zoutleeuw c.s. Misschien betreft het hier een terugbetaling van een schuld van 30 ponden Luiks, die hij in 1249 met niet nader aangeduide Joden had aangegaan ten gunste van Henrik van Gelre, de elect van Luik. Men stelt niet enkel de aanwezigheid van Joden vast in het 13e-eeuwse Brabant, onder Hendrik LLI (1248-1261) hebben zij in het hertogdom misschien ook een zekere invloed. De hertog belast hen namelijk betalingen te doen in zijn naam. Enigszins vreemd doet het daarom aan, dat deze hertog in zijn testament van 26 februari 1261 hun gelast het hertogdom te verlaten. Hoewel de reden van deze laatste wil moeilijk achterhaalbaar is, kan de vrees voor het sterven met een bezwaard geweten de hertog tot deze beslissing gebracht hebben. Deze beslissing was trouwens niet alleen tegen de Joden gericht, maar tegen alle geldschieters. Overigens is aan deze opdracht naar het schijnt nauwelijks gevolg gegeven. Ook hiervan is de oorzaak moeilijk aan te geven.

 

Lombarden en Cahorsins

De Joden waren evenwel niet de enigen die zich met geldhandel bezighielden. Geldleenhuizen werden ook ingericht door handelaren uit Noord-Italië, Lombardije, de zogenaamde Lombarden. Zij worden ook een aantal malen Cahorsins, Cahoursins, Caorsini of Cawersini genoemd. In 1281 verklaart een rentenier uit Luik in zijn testament dat hij de garderobe van zijn vrouw heeft verpand 'apud Caoursinos'. Het is algemeen bekend dat de Cahorsins, werkzaam in Noordwest-Europa, afkomstig zijn uit Lombardije en Piémont. Waar personen genoemd worden, komen zij uit Asti of Chieri. Deze twee steden van Piémont, hebben gedurende twee eeuwen het merendeel van de Lombarden in de Lage Landen geleverd. Zo neemt de stad Utrecht op 27 oktober 7 260 André Albert en Folcuin Asinari als burger op. Zij behoren tot een vooraanstaande familie uit Asti, waarvan de leden het typische Lombarden-beroep uitoefenen, namelijk het houden van een geldleenhuis, dat later zelfs naar hen wordt genoemd: Lombard of Lommerd. Zij dreven dit huis tot aan het begin van de 15e eeuw. Uit deze en andere gegevens concludeert men dat het woord Cahorsin vanaf de eerste helft van de 13e eeuw synoniem is met Lombard. Het Bosch Protocol vermeldt nog in de eerste helft van de 15e eeuw Lodevicus Asinarius, Coenradus de Assinariis en Thomas Asinarius et ejus socii mercatores in Busc.

 

Wisselende houding

Bekend is dat de Lombarden vanaf het begin van de 13e eeuw de Alpen oversteken en zich over Frankrijk verspreiden. De koning van Frankrijk, Lodewijk VIII (1187-1226), staat in augustus 1225 alle burgers van Asti toe in de buitenwijken van Parijs gedurende vijf jaren zaken te doen, met name lenen tegen onderpand. Opmerkelijk is dat hij twee jaren daarvoor nog maatregelen tegen de Joden had getroffen. De vergunning aan de inwoners van Asti betreft het eerste octrooi, dat men voor Frankrijk kent. Deze officiële akte wordt bevestigd door de kroniekschrijver van de stad Asti, Alfieri. Hij schrijft in 1226: `Cires Astense coeperunt praestare et facere usuras in Francia et ultra montanis partibus, ubi multam pecuniam lucrati sunt; tamen ibi multa mala passi sunt in personis et rebus'. Hun snelle groei in aantal, maar meer nog hun buitensporige vorderingen geven aanleiding tot verzet. Vorsten, dikwijls hun debiteuren, nemen maatregelen om hun invloed te beperken. In Engeland en Frankrijk kan men dit waarnemen. Ook de kerk tracht een eind te maken aan de gegroeide misbruiken. Het concilie van Lyon, bijeen in 1274, gaat met zijn strenge maatregelen veel verder dan het concilie van Lateranen van 1179. Het schrijft maatregelen voor die ten doel hebben te voorkomen dat de woekeraars hun handel voortzetten. De autoriteiten zijn verplicht openbare woekeraars uit te wijzen. Niemand mag huizen in huur, gebruik of eigendom geven om er woeker in toe te staan. In deze jaren heeft men een teruggang bij leenovereenkomsten in Doornik kunnen vaststellen als gevolg van de richtlijnen van het concilie van Lyon. In Utrecht doet men het anders. Men grijpt er de gelegenheid die het concilie biedt aan om van zijn schuldeisers af te komen. Op 23 oktober 1280 worden er onder meer 8 Lombarden gearresteerd. Hun bezittingen worden in beslag genomen en onder de slachtoffers van hun woekerpraktijken verdeeld. De hardheid van de voorschriften van het concilie van Lyon zal evenwel weldra verminderen ten gevolge van de toenemende behoefte aan geldmiddelen bij vorsten en zakenwereld, die beiden om krediet vragen.

Deze wisselende opvatting ziet men weerspiegeld in de verplichting die de Utrechtse Lombarden zich in 1283 op de hals halen. Zij verplichten zich onder ede niets terug te vorderen van het enige jaren eerder in beslag genomen goed. Zij schijnen deze verklaring af te leggen op het moment dat zij hun activiteiten in de stad hervatten.

Vanaf het laatste kwart van de 13e eeuw is er een grote toename van Lombardische vestigingen waar te nemen. De stichtingvan een bank van lening was onderworpen aan de toestemming van de heer van de grond. Vandaar dat de Lombarden overal waar zij zich vestigen andere voorwaarden opgelegd krijgen. In Vlaanderen bijvoorbeeld worden de eerste octrooien genoteerd beginnend in 1280 à 1282 voor afzonderlijke plaatsen. Door één enkel document, de op gave van de schulden van Johanna van Constantinopel, is bekend dat er vóór 1244 in Vlaanderen reeds minstens vijf leenhuizen gevestigd zijn en één in het graafschap Henegouwen.

Dat er in Brabant Lombarden aanwezig zijn, wordt bewezen door het reeds vermelde testament van hertog Hendrik III, waarin hij gelast de Joden en ook de Cahorsins het Brabantse hertogdom uit te zetten en ze uit te roeien. Evenmin als de andere clausules van het testament schijnt dit bevel overigens uitgevoerd te zijn. Zijn weduwe Adelheid, die in naam van haar zoon van 1261 tot 1267 het regentschap uitoefent, heeft de uitvoering van een dergelijke radicale maatregel niet overwogen. Men maakt dit op uit het antwoord dat Thomas van Aquino haar deed toekomen. Zij had hem een aantal bestuurlijke problemen betreffende het hertogdom voorgelegd, speciaal met betrekking tot de wijze van behandeling van Joden en Cahorsins. Er volgt hier geen analyse van het antwoord van de beroemde dominicaanse doctor. Alleen wordt er hier op gewezen, dat de doctor geen enkele zinspeling maakt op een uitzetting van woekeraars. Wanneer er al uitzetting heeft plaatsgevonden, dan is het in ieder geval van korte duur geweest. In ieder geval vanaf 1267 zijn er Joden en Cahorsins te Brussel. Op 29 juni van dat jaar immers belooft hertog Jan I- terwijl hij de privileges van de stad Leuven bevestigt - aan de Joden en aan de Cahorsins van Leuven hetzelfde statuut te geven als die van Brussel bezitten. De situatie in het hertogdom Brabant schijnt overigens een weinig anders te zijn dan in Vlaanderen. In plaats van één octrooi voor iedere stad afzonderlijk, schijnt het octrooi hier vanaf het begin geldig geweest te zijn voor het gehele hertogdom.

 

Geldhandel in 's-Hertogenbosch

Bij gebrek aan geschreven bronnen kan de stedenbouwkundige locatie van de eerste leenhuizen een belangrijk gegeven zijn om tot datering te komen van de aanwezigheid van geldhandelaren in een bepaalde stad.

Het voorkomen van straatnamen, die op de presentie van Joden en Lombarden zo vroeg en zo nabij het stadshart wijzen, rechtvaardigt de conclusie dat beide groepen geldhandelaren in de aanvangsperiode van een stad als 's-Hertogenbosch al actief waren. Zij kwamen hier evenals andere kooplieden en handelaren om hun handel te drijven. Hun nering ging zo florissant, dat de autoriteiten zich genoodzaakt voelden met hen afzonderlijke regelingen aan te gaan. Wanneer men aanneemt, dat het door de hertog voor de Joden en Cahorsins van Brussel en Leuven afgegeven octrooi geldig is voor het gehele hertogdom, dan mag men ook aannemen, dat aan de Joden en Cahorsins of Lombarden van de beide andere Brabantse hoofdsteden Antwerpen en 's-Hertogenbosch in dezelfde tijd, in 1267, een statuut is afgegeven, gelijk aan het statuut dat ook die van Brussel bezaten. Ongetwijfeld zijn dan de Lombarden hun geldleenpraktijken in 's-Hertogenbosch begonnen niet ver van het Jodenbuurtje ter plaatse van het huidige Lombardje. Op het binnenterrein van dit nu juist gerehabiliteerde bouwblok zal het eerste Bossche leenhuis de Lombard hebben gestaan. Gelet op de situering ten opzichte van onze markt kunnen de handelsactiviteiten van de Lombarden hier in de eerste helft van de 13e eeuw een aanvang hebben genomen.

 

De Lombard Thadeus Cavenson alias Willem van 's-Hertogenbosch

Op 3 december 1284 draagt hertog Jan 1 van Brabant schepenen, gezworenen en burgerij van 's-Hertogenbosch op de gehele opbrengst van de accijns tot 1 oktober 1288, tot een bedrag van 1827 pond en 10 schellingen, uit te betalen aan zijn Lombard Willem op de daarvoor gestelde termijnen zulks ter voldoening van een schuld. Naast de vele perspectieven, die deze opdracht met betrekking tot de handelspositie van de dan bijna 100-jarige stad opent, moet het opvallen dat de hertog Willem `zijn' Lombard noemt. Dit duidt op een bestaande solide relatie, mogelijk in verband te brengen met het hiervoor genoemde statuut van 1267. Als men dit leest kan men zich nauwelijks voorstellen dat arrestaties zoals die van 1280 in Utrecht, in een van de Brabantse steden konden plaats vinden. Dr. H.P.H. Camp, auteur van het `Oorkondenboek van Noord-Brabant tot 1312' heeft bij de boven aangehaalde oorkonde een zeer uitvoerig en gedocumenteerd commentaar gegeven dat in het kader van deze studie een waardevolle aanvulling is. Camps heeft voorzover hem bekend de zeer indrukwekkende financiële activiteiten van deze Lombard Willem van 's-Hertogenbosch verzameld.

Hij wordt het eerst genoemd in een oorkonde van graaf Reinoud I van Gelre, gegeven te Grave, 15 januari 1282. Hierin erkent de graaf 900 pond Leuvens schuldig te zijn aan deze Willem. Op 5 april 1282 verklaart dezelfde Reinoud 3000 pond Leuvens schuldig te zijn aan Thadeo Cavenson civi Bastensi, dicto Willelmo de Buscho ducis. Volgens Camps blijkt expliciet dat deze Lombard inderdaad in 's-Hertogenbosch heeft gewoond en daar zijn bedrijf heeft uitgeoefend. Zijn eigenlijke naam is Thadeus Cavenson. De auteur heeft achterhaald, dat deze Thadeus uit Asti afkomstig is en daar tot een der vooraanstaande families behoorde n.l. de Cavazzoni. In een oorkonde van 29 december 1277 wordt Thadeus Cavazonus als één van de vier wijze mannen van de stad Asti vermeld. Op 3 december vindt de aangehaalde opdracht plaats. Camps concludeert dat de Lombard in 1285 gedurende enige tijd in Dordrecht verblijft. Op 14 juni van dat jaar is hij een van de scheidslieden in het geschil tussen de heer van Cuyk en de stad Dordrecht over de tol van Cuyk. Camps vermoedt dat onze Lombard identiek is met de Wilhelmus die kort tevoren, 13 mei 1285, een aanbevelingsbrief van graaf Floris V kreeg en daarin door de graaf zijn 'negociator et legitimus et fidelis ac oppidanus noster in Dordrecht' (rechtmatige en trouwe geldhandelaar en burger van onze stad Dordrecht) wordt genoemd. Op 28 april 1287 is hij met de steden Leuven, Brussel en Antwerpen en een aantal edelen borg voor een lening van Beatrix, vrouwe van Kortrijk, aan de hertog. 29 Augustus 1290 verricht hij weer diensten voor graaf Floris V. Een koopman uit Lucca die zichzelf de pelgrim van Chartres noemt, erkent ontvangen te hebben van de graaf van Holland uit handen van Willem van 's-Hertogenbosch 1000 Parijse ponden ten behoeve van de hertog van Brabant. Nog tweemaal wordt onze Lombard Willem van's-Hertogenbosch in een oorkonde genoemd. Op 15 december 1291 erkent Gwijde, graaf van Vlaanderen, schuldig te zijn aan Thadeus Cavassonne, genaamd Willem van 's-Hertogenbosch, Lombard, de som van 6706 pond zwarte tournooisen en 16 schellingen die hij zal betalen in vier termijnen. Gwijde heeft dit geld bij de Lombard opgenomen om Reinoud, graaf van Gelre, die na de slag van Woeringen in grote financiële moeilijkheden was geraakt, te steunen. Op 26 december 1292 verklaart Lombard Willem zoveel ontvangen te hebben van Gwijde, dat hij Reinoud kwijting kan geven van al zijn schulden, afgezien van de betalingstermijnen waarover hij een schikking getroffen heeft met Hendrik van Gennep en Lotijn van der Weide. Camps beredeneert, dat als plaats van uitvaardiging van de reeds genoemde overeenkomst tussen Floris V en de koopman van Lucca, waarbij Willem van 's-Hertogenbosch bemiddelt, Londen als de meest waarschijnlijke moet worden geacht. Blijkbaar is deze Lombard één van de instrumenten geweest die gebruikt werden in het diplomatieke spel van de negentiger jaren tussen Engeland, Vlaanderen en Holland, waarbij ook Brabant betrokken was.

Een Bosch’ samenwerkingsverband van Lombarden

Wanneer men van het voorgaande met betrekking tot deze Willem van 's-Hertogenbosch, Lombard, kennis neemt, dan komt men onder de indruk van het werk, dat hij j in deze periode verzet, de activiteiten die hij ontplooit, de geldbedragen waarmee hij omgaat, de personen die erbij betrokken zijn, de relaties die hij onderhoudt, het vertrouwen dat hij geniet, de uitgestrektheid van het territoir dat hij met zijn bezigheden bestrijkt en dit alles, niet onmogelijk, vanuit 's-Hertogenbosch. De rol die deze Willem van 's-Hertogenbosch, geboortig uit Asti aan gene zijde van de Alpen, hier in zijn tijd speelt, is karakteristiek te noemen voor het functioneren van de Lombarden in de 13e eeuw.

Wil men deze werkzaamheden goed verrichten, het benodigde vertrouwen wekken, dan moet men bereikbaar zijn; hiervoor is een organisatie nodig en deze vraagt om een vaste vestigingsplaats. Dit alles komt niet zonder meer uit de lucht vallen. Generaties lang wordt hieraan gewerkt. Op grond van de voorkomende straatnamen als Lombardje, Klein Lombardje en Lombardsbrugge mag men aannemen, dat deze 13eeeuwse Lombardische organisatie gelokaliseerd is geweest in de omgeving waar deze namen in onze stad 's-Hertogenbosch voorkomen en waar zoals gezegd de eerste geld-leenpraktijken zijn begonnen. Op 21 mei 1309 beloven Hendrik van Mierlo, zijn zoon Rover, Arnold Poeldonk, Jan Vranke, Peter van Steenwege en zijn broer Rutger te zullen betalen aan Gillis de Lombard 148 pond zwarte tournooisen, ten behoeve van de verenigde Lombarden in 'sHertogenbosch. In mei 1312 treffen wij een bijna gelijkluidende transactie aan. Deze beide vermeldingen tonen overtuigend aan dat in de stad 's-Hertogenbosch inderdaad een organisatie van Lombarden gevestigd is geweest (zie bijlage 4).

 

 

De verenigde Brabantse Lombarden

Dat het niet enkel om Willem van 's-Hertogenbosch gaat, maar dat bij de grote transacties inderdaad een hele organisatie betrokken is, toont het volgende. De afrekening van het vermogen van de Lombard Benoit Royer leert ons, dat hertog Jan 1 in 1293 de aanzienlijke som van 100.000 ponden tournoois verschuldigd is aan alle Lombarden van Brabant. Dit kan duiden op een gecentraliseerde organisatie van de Lombarden in het hertogdom. Er is nog een andere overeenkomst afgesloten met de Lombarden in Brabant. Deze overeenkomst is te dateren tussen maart 1296 en 27 mei 1296 en wordt afgesloten door hertog Jan II; borg blijven Robert de Béthune, graaf van Nevers, graaf Gwijde van Vlaanderen, Guillaume, heer van Grevecoeur. En in maart 1307 is er dezelfde Robert de Béthune, nu graaf van Vlaanderen, die instaat voor de uitvoering van een overeenkomst afgesloten eveneens door Jan II met zijn Brabantse Lombarden. In beide genoemde transacties gaat het misschien om octrooien, die voor het gehele hertogdom Brabant gelden. De opvolgers van Jan 1, Jan II, Johanna en Wenselaus houden de gewoonte in stand zich met hun verzoeken om geldleningen te wenden tot `alle' of de 'verenigde' Brabantse Lombarden. Alleen in Brabant komt vanaf de tweede helft van de 14e eeuw een speciale agent, maior of meier van de Lombarden voor. Deze meier is door de hertog belast met het waken over het handhaven van rechten en renten respectievelijk van vorsten en Lombarden. Dank zij een oorkonde, aanwezig in het stadsarchief van Pisa, die een brief bevat van de Rooms-Koning Hendrik VII met een uitnodiging aan de Lombarden om met kerstmis 1309 naar Keulen te komen, is bekend in welke plaats in dat jaar 1309 Lombarden aanwezig zijn. In het hertogdom Brabant zijn dat: Nijvel, Henripont (Hainaut), Lembecq, Assche, Merchtem, Vilvoorde, Mechelen, Rumst, Antwerpen, Lint, Itegem, Herentals, Hoogstraten, Breda, Bergen op Zoom, Steenbergen, '‘s-Hertogenbosch, Berkel, Eindhoven, Helmond, Son, Halen, Diest, Zichem, Terstelt, Aarschot, Haacht, Meerbeek, Leuven, Tienen, Zoutleeuw, Hannut, Jauche, ZetrudLumay, Jodoigne, Incourt, Warre; GrezDoiceau, Overijss(ch)e, Corroy-le Grand en Gembloux. In het graafschap Loon zijn het: Montenaken, Saint-Trond, Hasselt, Maaseik, Bilzen, Stokken, Bree en Maastricht. In Vlaanderen: Pamel, Herzele, Zottegem, Alost, Gavere, Boelare en Viane. Dat de Lombarden zich naar eigen keuze op zoveel locaties binnen het hertogdom konden vestigen, is waarschijnlijk te danken aan de faciliteiten, die een voor Brabant misschien algemeen geldend octrooi bood, Voorlopige samenvatting waarover eerder in deze studie reeds suggesties werden gedaan. In het voorafgaande zijn de ontwikkeling en de gang van zaken rond de Lombarden geschetst gedurende de eerste eeuw van jong stedelijk leven. Wij hebben kunnen waarnemen, dat zij aan het einde van de 13e en aan het begin van de 14e eeuw over ons gehele hertogdom een netwerk van leenbanken hebben uitgespreid. Zij genieten de bescherming van vorsten en heren. Zij verschaffen deze immers belangrijke geldmiddelen en deze bedienen zich zelfs van hen voor het beheer van hun financiën en de aanmaak van geld. Gewoonlijk worden zij tot de burgerij van de steden toegelaten. Eenmaal ingeschreven als burger kunnen zij hun overeenkomsten laten opstellen en goedkeuren door plaatselijke juristen en uitvoering verkrijgen, wanneer debiteuren met betaling in gebreke blijven. Zo hebben zij overvloedige winsten kunnen vergaren. Ongetwijfeld zet deze omstandigheid de om geld verlegen zittende Hendrik VII aan de Lombarden in Keulen bijeen te roepen met het doel leningen en (of) giften te verkrijgen.

Wat ook het doel kan zijn geweest van deze oproep van de Rooms-Koning, het document dat er uit resulteert levert ons een algemeen beeld van de vestigingsplaatsen van de Lombarden in onze streken op een tijdstip, waarop het ingrijpen van de kerk hun activiteiten weer eens op losse schroeven zette. Inderdaad zal de kerk nooit ophouden al of niet vermeende woeker te bestrijden. Streefde het concilie van Lyon van 1274 ernaar een einde te maken aan de invasie van vreemde geldschieters, het concilie van Vienne, in 1311 bijeen, waarvan de decreten op 25 oktober 1317 openbaar worden gemaakt, poogt paal en perk te stellen aan de meest afkeurenswaardige kanten van hun bedrijvigheid. Renteheffing werd als woeker gediskwalificeerd en daarom veroordeeld.

In de kerkprovincie Keulen zijn kort na 1317 heftige reacties van hen die er op uit zijn tegen Lombarden te kunnen optreden. Klachten van de benadeelden worden op hun beurt reeds in 1320 gehonoreerd met schadeloosstelling. Een en ander brengt ernstige verstoring teweeg van de denk- en gevoelswereld. Het al of niet geoorloofd

zijn van woeker, waar ligt de grens? De stellingname in deze wisselt van plaats tot plaats en is zonder twijfel in overeenstemming met de fijngevoeligheid van het geweten van geldschieters en autoriteiten. Hoe het ook moge zijn, de conciliedecreten hebben een beperkend effect op de ondernemingen van de Lombarden. Wanneer in de 15e en 16e eeuw de Lombarden pandnemer of lommerdhouder worden, komen er maatregelen om het aantal van deze ondernemingen te verminderen. Daarentegen hebben de conciliedecreten geen enkel bestendig gevolg voor wat betreft de duurzame aanwezigheid in onze streken van de Lombarden en hun leenbanken. Wordt er schade aangericht, dan laat een schadevergoedingsregeling niet lang op zich wachten, zodat de Lombarden hun activiteiten spoedig weer kunnen hervatten. Ongetwijfeld zullen niet al de octrooien in de plaatsen die er in 1309 een bezaten, worden aangehouden. Het verdwijnen van een Lombard kan men toeschrijven aan het geringe voordeel dat een octrooi opleverde in een plaats met weinig winstgevend en teruglopend handelsverkeer. Wanneer het verzet van de kerk tegen lenen met rente in de loop van de 15e eeuw verstompt, zal de vraag naar de aanwezigheid van de Lombarden niet meer worden gesteld.

 

Het verblijfsgebied van de Lombarden

Eerder in dit verhaal is geschetst dat de Lombarden in onze stad hun praktijk van geldhandelaren zijn begonnen in het Lombardje. Er werd omtrent deze buurt een duidelijke scheiding gemaakt en wel tussen een noordelijk dichtbebouwd gebiedje, dat - te oordelen naar de nokrichting, loodrecht op de voorgevel-rooilijn - vanaf het ontstaan van dit blok front heeft gemaakt naar de straat Achter het Stadhuis en een zuidelijk blok met grote achtertuinen. De nokrichting hiervan is in principe loodrecht op de andere. De hoofdnokrichting is loodrecht op de voorgevel van de Wolvenhoek. De oorspronkelijke bebouwing hier maakte front naar de Wolvenhoek. Ook het gesloopte hoekpand op de hoek van Waterstraat had zijn voorgevel naar de Wolvenhoek. De bebouwing langs de Waterstraat is van jongere datum. In 1383 wordt gesproken over `de straat die van Colperstraet (Verwersstraat) loopt vóór 't woonhuis van Dirk Loef, wolwever, over de brug aldaar in de richting van 't woonhuis van de Vrouwe van Lake'. Hier is de Waterstraat bedoeld, evenals in het volgende voorbeeld: `in een straatje dat van Colperstraet loopt naar de 'Mansio' van Aert van Beke...' Dergelijke aanduidingen komen voor deze Waterstraat vaker voor. De indruk wordt gewekt, dat deze straat voor een deel ontstaan is uit een aanvankelijk particuliere inrit, die toegang gaf tot het terrein van een mansio c.a., dat wil zeggen een omgracht gebied met versterkte woonbebouwing.

 

Een tonput

Bij de uitvoering van de grondwerken ten behoeve van de bouw van de parkeergarage de Kuil in de jaren 1974/1975 op het reeds eerder door kaalslag geruimde bouwterrein langs de Waterstraat werd door de Bossche amateur-archeologen de gebroeders A.J.C. en P.J.C. Verhagen een oude, ruime drinkwaterput uitgegraven en onderzocht. Deze put bevond zich destijds achter de woonbebouwing langs de Waterstraat in een voormalige achtertuin. De juiste plaats is op de kaart aangegeven. De put lag iets terzijde van een passage via een koetshuis, waardoor deze achtertuin vanaf de Waterstaat bereikbaar was. Deze put was opgetrokken uit metselwerk ter dikte van één steen in kloek formaat; de inwendige diameter bedroeg niet minder dan 260 cm; de aanlegdiepte was op ongeveer 150 cm boven het N.A.P. In het slib en zand dat de put vulde, werden door de gebroeders Verhagen twee kookpotten, zogenaamde grapen, aangetroffen. In het hart van de put was een houten ton ingegraven, een oud, vermoedelijk 13-eeuws wijnvat zonder bodem, waarin geen vondsten werden aangetroffen. Aangezien verontreinigingen of beer ontbraken, mag men aannemen dat deze tonput als drinkwaterput in gebruik is gebleven tot het moment dat hij met zand werd aangevuld. Juist op de rand van de ontgraving langs de Waterstraat, tegenover de hoofdingang van het kantoorgebouw van Rijkswaterstraat werd over de volle hoogte van de ontgraving zwaar metselwerk aangetroffen van een groot formaat baksteen dat behoord kan hebben tot genoemde mansio. Aan het einde van de 13e eeuw, toen dit mansio-complex ten gevolge van het tot stand komen van de tweede stadsmuur zijn karakter verloren had, is het goed verkaveld en uiteengevallen in een aantal kleinere bebouwde en onbebouwde percelen. De oorspronkelijk particuliere inrit is toen via de Lombardenbrug in relatie gebracht met de Hulst en de straat is openbaar geworden.

Er zijn enige zeer interessante transacties bekend afkomstig uit het Bosch Protocol, met betrekking tot één van deze kleinere percelen, waarin sprake is van een `kapel'. De beide eerste opdrachten met betrekking tot deze kapel werden mij jaren geleden ter hand gesteld door Ferdinand Smulders met de vraag: Heb jij een idee, waarop deze beide opdrachten betrekking kunnen hebben? Jarenlang obsedeerden deze opdrachten mij. Een studie naar de vestiging van de minderbroeders in een aantal jonge handelscentra in verband met de Franciscus-herdenking in 1978 bracht mij op de hier volgende gedachten. Sedertdien ontving ik van mevrouw drs. Mechelien Spierings nog een aantal vroegere transacties waarin deze kapel genoemd wordt. Deze transacties brachten mij tot enige gedachteconstructies. Ze behoeven enige inleidende opmerkingen over de ascetische beweging, die in Europa gaande was sinds de 11e eeuw.

 

Armoedebeweging

De opkomst van de steden en de vrije burgers in de 11 e en 12e eeuw valt samen met de hervormingsactiviteiten in de kerk. De mensen krijgen steeds meer antipathie tegen de grootgrondbezitters aan wie zij belasting moeten betalen. Dit zijn niet enkel wereldlijke heren, maar ook zeer dikwijls kloosters en bisschoppen. In geheel WestEuropa ontstaan in de loop van de 12e eeuw groepen, die zich tegen rijkdom en bezit keren en zich vrijwillig tot de armoede wenden. Deze armoede-activiteiten krijgen soms het karakter van politieke en sociale hervorming die de kerkelijke begrenzing vaak ver te buiten gaat. Zo ontstaan de Katharen, de Albigenzen, Waldenzen en in Lombardije in 1301 de Humiliaten. Er is echter ook een armoedebeweging, die binnen de grenzen van het kerkelijk gebeuren blijft. Eén van de voorgangers is het klooster van Citeaux. In de directe omgeving van de stad 's-Hertogenbosch is omstreeks 1200 een klooster, dat in navolging van deze reformatie van Citeaux op een strengere beleving van de regel van Benedictus gebaseerd is. Het betreft het klooster Porta Coeli dat in 1205 door Winand van Basel is gesticht (zie bijlage 5). Ook Norbertus van Gennep ontdoet zich in 1119 van zijn goederen en kiest voor een bestaan als apostolisch armoedeprediker. In 1120 sticht hij zijn eerste kloostergemeenschap in het dal van Prémontrc nabij Laon. In 1134 reeds is er in de omgeving het klooster van Berne. De kloosterlingen houden zich naast het beschouwende leven bezig met landbouw en verbetering van de bodem. Van een grootscheepse ontginningsactiviteit valt geen spoor te bekennen, hoewel zij het aanzicht van de omgeving van Berne door dijkaanleg ingrijpend hebben gewijzigd. Zeer spoedig werden ook de bediening van een aantal parochies aan de west- en oostzijde van de stad toevertrouwd, zoals Engelen (1285) en Bokhoven (1363/1369), Berlicum (1240) en Heeswijk (12d8). In 1231 is de abdij van Berne zelfs het patronaatsrecht in Den Bosch en Orthen geschonken door de Brabantse hertog (zie bijlage 6). Deze kloostergemeenschappen van Berne en Porta Coeli waren duidelijk gericht op een agrarische samenleving. De nieuwe tijd met zijn handel, zijn geldverkeer en zijn stedenvorming vraagt om een heel andere, originele armoedebeleving. De Italiaan Franciscus en de Spanjaard Dominicus spelen hierop in. Zij begrijpen, dat tegenover de stijgende rijkdom binnen de stedelijke samenleving het evangelische ideaal van onthechting duidelijk moet worden gesteld. Vrijwillige totale armoede zien zij als de beste houding. Zij doen afstand van alle persoonlijk bezit en eisen dit ook van hun volgelingen. Deze worden naar de verschillende handelscentra gestuurd met de opdracht: ga te voet, in evangelische armoede zonder geld en vraag onderweg gastvrijheid.

 

Een huis met erf genaamd die Capel

In de opdrachten, voorkomend in het Bosch Protocol R 1188, blad 43 vso, van 10 december 1412, R 1189, blad 365, van 28 mei 1416 en R 1800, 's-Bosch, vonnisboek blad 3, van 1419, waarvan de teksten als bijlage zijn opgenomen, wordt genoemd `een huis met erf genaamd die Capel en verder aanbehoren... met verder een gang of pad bij dat huis behorend...' Deze omschrijvingen zijn zeer reëel gesteld. Het zijn notariële stukken. Wij staan er misschien wat onwennig tegenover. Wij kennen noch de situatie waarvan sprake is, noch de personen, die genoemd worden. De tijdgenoten wisten precies, wat de bedoeling was en waarvan sprake was. Men kan daarom veilig aannemen, dat het hier bedoelde `huis en erf ooit de functie van kapel heeft gehad. Op een bepaald tijdstip is deze kapel buiten gebruik gesteld en aan derden verkocht vermoedelijk vóór zaterdag na Sacramentsdag in het jaar 1382. De omschrijving van terreinen, bebouwing en hun onderlinge situering komt nogal rommelig en ingewikkeld over. In andere soortgelijke opdrachten is dit wel eens duidelijker geformuleerd, maar dan geeft de situatie daar ook aanleiding toe. Hoe een dergelijke overeenkomst ook is geformuleerd, voor de betrokken tijdgenoot is het begrijpelijke taal.

Men kan aannemen dat de in het voorgaande omschreven tonput dezelfde put is als die genoemd wordt in de schepenakten van 17 juli 1562 en 9 juni 1588 (SvY, 11 74-75). De genoemde passage tussen achtertuin en Waterstraat wordt op 30 maart 1574 omschreven als 'eene poirte bij de Loeffbrugge' (SvY, 11 75). En met deze `poirte' wordt weer hetzelfde aangeduid als de `gang of pad bij dat huis behorend', waarvan sprake is in de aangehaalde 14e-eeuwse transacties. De genoemde passage, 'poirte', gang of pad heeft dus eens behoord tot het `huis en erf die Capel'; de beschreven put lag er dicht bij.

 

Huis en erf gekocht van de minderbroeders

De elementen, die bij de oudst bekende opdrachten een rol spelen zijn: een huis en erf, tesamen die Capel genaamd, een toegangsweg vanaf de straat en een tuin. Dit zijn de elementen die op 10 december 1412 overgedragen worden. Bijzonder is dat ze alle gelegen zijn `binnen de woning van Engbert Ludinck van den Dijk'. Met dit `binnen' wordt een oudere, voor betrokkenen, vertrouwde situatie gekenmerkt. Deze opmerking rechtvaardigt de conclusie dat hetgeen overgedragen wordt samen met omliggende erven, deel heeft uitgemaakt van een grotere eenheid. De eerste bekende eigenaar is Gerrit van Amstel, zoon van wijlen Henrick van der Schaut. Deze Gerrit verkreeg het tegen cijns en droeg het weer over aan Heer Art Dickbier. Via Engbert Ludinc van den Dijk verwerft Jan, zoon van Engbert Ludinc van Uden het, die het op 10 december 1412 overdraagt aan Jan Zerijszoon van Erpe. Na diens dood werd het op 28 mei 1416 overgedragen aan Willem Lu, zoon van Matheeus.

Een van de begrenzende percelen die zoals wij aannemen tot het oorspronkelijke perceel hebben behoord, is `de erve van Art Haec'. Bij de opdracht van 10 december 1412 wordt dit reeds als begrenzing genoemd. Bij een overdracht op 31 januari 1444 n.st. waarbij Ghijsbert Haeck zoon van Aert Haeck zijn helft in dit erf - dan genoemd huis, erf en hof - opdraagt aan zijn zus Lysbeth, staat als bijzonderheid vermeld, dat Aert Haeck dat huis gekocht had van de minderbroeders. Nu kan de vraag worden gesteld of de oorspronkelijke grotere eenheid ook in het bezit is geweest van de minderbroeders en wat dit voor een kapel zal zijn geweest.

 

Verstedelijking buiten de stadsmuur

De vondst op deze plaats in onze stad van een oratorium of een kapel die voor het einde van de 14e eeuw reeds buiten gebruik is gesteld, is niet enkel als een merkwaardige, maar ook als een zeer verrassende ontdekking te beschouwen. Een kapel op deze situatie was tot op heden onbekend. In het voorgaande is het proces van verstedelijking van het oorspronkelijk agrarisch gebied geschetst. Wij hebben de Lombarden leren kennen als eerste bewoners van dit gebied na het vertrek van de agrariërs. Besproken zijn ook de activiteiten die deze Lombarden verrichten, namelijk bezigheden rond de geldhandel. Voor een onderzoek naar deze kapel is vroeg archiefmateriaal nog niet voorhanden. Willen wij er desondanks iets meer van weten, dan zijn wij aangewezen op wat de situatie zelf ons nog kan vertellen en op mogelijk vergelijkend onderzoek.

Wij nemen aan dat het verstedelijkingsproces van het gebied rond de nog jonge 12e eeuwse handelsnederzetting in principe concentrisch verloopt. De eerste aanzet tot stedelijke bebouwing zal tot stand komen buiten de oudste omwalling of ommuring voor de stadspoort. Zo kan men de al besproken Jodenbuurt voor de Antwerpse poort, Jericho, beschouwen als de eerste stedelijke aanzet buiten de stadsmuur. De bouw is te dateren in het begin van de 13e eeuw. Spoedig volgen de eerste Lombarden. Deze vestigen zich, zoals wij gezien hebben ter plaatse van het Lombardje. Hun komst kan zijn samengevallen met de bouw van de Leuvense poort, de overplaatsing van het Hof van Brabant en de bouw van het Groot Ziekengasthuis. Een en ander is te dateren in het eerste kwart van de 13e eeuw. In de eerste helft nog van die 13e eeuw volgt de bouw van enige weerbare huizen en mansio's op het terrein dat ten zuiden aan het Lombardje grenst. Het blok is omgracht en de grachten zijn aangehaakt op een aanwezige waterloop. Het water in de gracht is te regelen door middel van enige sluisjes (zile). Aan het einde van de 13e eeuw zal een tweede golf van Lombarden het Lombardenhuis stichten aan de rand van de Hulst en dit gebied door middel van een nieuw te bouwen brug, de Lombardenbrug, verbinden met het eerste gebied.

 

Handelsroutes en minderbroedersvestigingen

De stichting van een kapel of oratorium in onze stad in een zodanig vroeg stadium kunnen wij zien tegen de achtergrond van de snelle verspreiding van de jonge bedelorden over geheel Europa tot het jaar 1228; men neemt gewoonlijk aan dat de minderbroeders zich in dat jaar definitief in 's-Hertogenbosch vestigen. Deze eerste jaren van verspreiding en uitzending van de eerste volgelingen door Franciscus, zelf zoon van een lakenkoopman, en door Dominicus, kanunnik, zijn niet enkel illustratief voor beiden en hun jongste organisaties, maar ook voor het karakter van de steden waar zij zich vestigen.

De volgelingen van Franciscus, de minderbroeders, zwermen alle kanten uit. Als men hun vroege stichtingen bekijkt, dan valt het op, dat zij langs de bekende handelsroutes gelegen zijn. In 1221 trekt een groep minderbroeders langs de reeds eerder genoemde noord-zuid-route vanuit Italië de Alpen over. Het is de tweede zending; zij zijn nu beter toegerust en voorbereid. Hun leider is Caesarius, geboren te Spiers. Er zijn enige Duitsers in het gezelschap onder wie Clericus, twee lekenbroeders en Barnabas, een goed predikant. Tot de groep behoren ook Johannes van Piano di Carpine, Thomas van Celano en Jordanus van Giano. De beide laatsten hebben hun bevindingen op schrift gesteld. Caesarius laat zijn broeders eerst nog voor een paar maanden in Lombardije en roept ze tegen het einde van september naar Trente samen. Half oktober zien ze elkaar weer in Augsburg, waar zij het eerste kapittel van de Provincia Theutonia (van Duitsland) houden. Met 31 broeders zijn zij nu. Van Augsburg worden zij verschillende kanten uitgezonden. Johannes van Piano di Carpine en Barnabas volgen de Rijnroute naar het noorden, overal als het ware hun sporen achterlatend: een vestiging te Straatsburg, Spiers, Worms, Mainz en tenslotte Keulen, alles nog in 1221 (zie bijlage 7). Terwijl binnen het aartsbisdom Mainz deze golf van minderbroeders-stichtingen nog enige jaren voortduurt, volgt er in het Keulse aartsbisdom na 1221 een zekere stilte. In 1223 wordt hun definitieve regel door paus Honorius III goedgekeurd. Daarna ziet men opnieuw een golf van minderbroeders-vestigingen vanuit Keulen ontstaan. Ten noorden van de taalgrens zijn dat achtereenvolgens: 1225 Brugge en Gent; 1226 (1266) St. Truiden en Tienen; 1228 Leuven, Diest en 's-Hertogenbosch; 1228 (1231) Brussel. Uit de kroniek van Jordanus worden wij gewaar, dat Johannes van Piano di Carpine in 1228 provinciaal werd van de provincie Theutonia en dat hij zich in Lotharingen gevestigd heeft.

 

Van noodhuisvesting tot kloosterbouw

Men moet zich niet voorstellen, dat deze vestigingen onmiddellijk over een klooster konden beschikken of plannen uitwerken om een klooster te bouwen. Gezien het streven zich telkens in groepen van drie of vier te vestigen en bij het groter worden van de plaatselijke groep zich weer op te delen en naar andere steden te gaan, lag het veelal lang uitblijven van een eigen kloosterbouw in deze eerste vestigingsplaatsen zelf voor de hand.

De arme levensstijl en de kleine omvang van de broedersgroepen maakten dat een vestiging in of vlak bij de stad heel eenvoudig te regelen was. Er waren geen grote landgoederen nodig. De eerste broeders hebben overal gewoond, in de sacristie van oude kapelletjes, in leegstaande huizen of schuren. Jordanus van Giano zegt in zijn kroniek: `Ik weet niet wat een klooster is. Bouw ons een huis. Het enige wat ik belangrijk vind is, dat het vlakbij het water ligt; dan kunnen wij er gemakkelijk instappen om onze voeten te wassen!' Men mag pas veronderstellen dat men tot de bouw van een klooster komt, wanneer de situatie stabiel wordt. Het typeert tevens een ontwikkelingsfase binnen de orde. Omstreeks 1260 werd de beweging sterk, die terwille van een meer geregeld kloosterlijk leven, een beter verzorgde liturgie en prediking, streefde naar groepen van groter omvang dan de drie of vier broeders van het begin. De groei van de orde komt dan meer tot uiting in het groter worden van de conventen dan in het zoeken van nieuwe vestigingsplaatsen, die niet meer zo talrijk zijn als in de eerste decennia. Deze stabiliseringfase neemt men ook in 's-Hertogenbosch waar. In 1263 wordt een kapel - en ook het nieuwe klooster? - plechtig ingewijd, niet op het terrein hier tussen de Lombarden, maar op een totaal nieuwe locatie ter plaatse van het tegenwoordige Minderbroederplein.

Het is begrijpelijk, dat er verschil is tussen de Alpen overstekende en zich over Europa verspreidende Cahorsins of Lombarden en de idealistische Lombarden, de zogenaamde minoriten. De eersten zijn harde zakenlieden uit op winst en geldbejag; de anderen preken armoede en soberheid. Beiden hebben dezelfde taal, dezelfde cultuur en dezelfde leefgewoonten. Enkel al uit praktische overwegingen zullen deze `minderen' de bekende handelsroutes volgen en zullen zij de anderen in vreemde plaatsen opgezocht hebben. Mogelijk zijn het niet alleen deze verwantschap en taal die vestiging van deze `minderen' te midden van deze geldhandelaren bevorderen, maar is het vooral het evangelische ideaal van totale armoede en desondanks levensgeluk te midden van deze tot materialisme neigende lieden. Dat is franciscaans.

De missie onder Joden, moslims en heidenen was en is een wezenlijk bestanddeel van de geestelijke werkzaamheid van de bedelorden. Voor Franciscus was de missie zo zeer deel van zijn verkondiging, dat hij de missie zelf ter hand nam en als eerste ordestichter uitdrukkelijk in de regel opnam. (Lexikon des Mittelalters I, Miinchen und Zurich (Artemis Verlag) 1980). De eerste vestigingen van deze minderbroeders in genoemde handelscentra illustreren de relaties tussen broeders en handelaren. Op deze wijze vormen de minderbroeders een soort barometer voor de geldhandel.

De betekenis van 's-Hertogenbosch is in vergelijking met vele andere jonge handelscentra in het begin van de 13e eeuw aanzienlijk. Natuurlijk is de stad geen Gent, Keulen, Parijs of Londen, maar zij behoeft niet onder te doen voor Hamburg, Antwerpen en Lubeck. Het aantal Lombarden in de stad is groot genoeg om in hun directe omgeving een eenvoudige huisvesting annex een oratorium op te zetten en in stand te houden. Ook al zijn er enkele Rijnlandse volgelingen in hun midden, de taal vormde voor de Lombardische broeders een barrière voor hun contacten met de stedelingen, hoe internationaal deze overigens ook geweest mogen zijn. Aanvankelijk zullen deze contacten dan ook beperkt zijn gebleven tot hun Lombardische landgenoten die de armoedebeweging vanuit het moederland kenden. De aanwezigheid van minderbroeders met een eigen oratorium buiten de oude stadsmuur zal bij de plaatselijke bevolking niet onopgemerkt zijn gebleven. Hun simpele levenswijze zal niet enkel bij hun in overvloed badende landgenoten, maar ook bij de Bossche burgers bewondering hebben gewekt en zelfs navolging hebben gekregen. Zo groeide en consolideerde zich de franciscaanse beweging ook buiten Italië. Het intreden van de eerste autochtonen maakte de verbreiding en groei mogelijk. Wanneer het ideaal van Franciscus blijft bezielen en plaatselijk jonge stedelingen blijft aanspreken, wordt het mogelijk de vestigingen in de moderne handelscentra over geheel West-Europa een vaste basis te geven en uit te breiden. Misschien is het na het bovenstaande niet meer zo gewaagd te veronderstellen: dat op het terrein de Kapel of die Capelle genoemd in de opdrachten d.d. 10 december 1412, 28 mei 1416, 1419, 31 januari 1444 en 11 januari 1445, eens een kapel of oratorium heeft gestaan, waarbij een grote drinkwaterput; dat deze kapel of dit oratorium vanaf 1228 als trefpunt is gebruikt door de Lombardische minderbroeders en hun landgenoten; dat de bebouwing bij deze kapel dienst heeft gedaan als een hospitium, waarop de broeders en wellicht ook hun landgenoten konden terugvallen tijdens hun tochten langs de handelswegen; dat dit oratorium c.a. is verlaten en opgegeven toen de minderbroeders hun definitieve klooster betrokken, ongeveer in 1623.

 

 

 

Bronnen

 

's-Bosch R. 1188 blad 43 vso Bosch Protocol

Jan zoon van wijlen Engbert Ludinc van Uden heeft verkocht aan Jan Zerijszoon van Erpe: een huis met erf genaamd `die Capel' met tuin en aanbehoren van wijlen Heer Art Dicbier, ridder, gelegen in Den Bosch binnen de woning van Engbert Ludinc van den Dijk tussen erf van wijlen Heer Art ene zijde en het water die Dyese ander zijde, strekkend tot erven van Henrick Meester en Henrick van den Putte, met daarbij een weg of pad bij dat huis met erf behorend, als aldaar gelegen en zoals bekend is daartoe behorend, welk huis en erf met de toegangsweg gezegde Heer Art van Gerit van Amstel zoon van wijlen Henrick van der Schaut tegen cijns had verkregen, en dat nu is gelegen tussen Art Haeck ene zijde en Claes der Kijnder des plaetmakers andere zijde en strekkend achterwaarts tot erf van wijlen Vrouwe Katelijn van Mordrecht zoals nu aldaar in zijn geheel gelegen, met beloften etc., behoudens de betaling van een cijns van 6 pond 's jaars. Testes Uden et Aa, datum in crastino concepcionis (10 december) 1412. Leunis van Erpe belooft mede, zelfde datum.

 

's-Bosch R. 1189 blad 365 Bosch Protocol

Dirck van Driel als man van Hadewig dr. wijlen Jan Zerijss van Erpe: een huis met erf genaamd die Cappel en tuin en verder aanbehoren, gelegen in Den Bosch binnen de woning van wijlen Engbert Ludinc van den Dijk, met het erve van wijlen Heer Art Dicbier, ridder, aan de ene zijde en die Diese aan de andere zijde en strekkend tot erven van Henrick Meester en Henrick van den Putte; met verder een gang of pad bij dat huis behorend; welke erven nu liggen tussen de erve van Art Haec en erve van Claes der Kijnder des plaetmekers, en strekkend achterwaarts tot erve van wijlen Katelijn van Mordrecht; dat was verkocht aan gezegde wijlen Jan Zerijss van Erpe door Jan zoon van wijlen Engbert Ludinc van Uden, als bij brieven, dragen zij over aan Willem Lu zoon wijlen Matheeus, met de brieven, beloften etc. met garantie wegens eventuele andere erfgenamen van wijlen Jan Zerijss. Willem Lu belooft betaling van 50 gulden (van 36 plakken) (deze acte doorgekruist) Wouter van Baex doet afstand van recht van vernadering.

Datum ut sapra = crastino ascencionis = 28 mei 1416.

 

's-Bosch R. 1800 Vonnisboek blad 3 (= 1419)

Gerrit die Wael zn.w. Gijb was gericht aan een huis met erf genaamd die Cappel, gelegen over de Loefsbrugghe, achterwaarts vlak naast huis en woning van wijlen Engbert gezegd Ludinc van Dijk (de aggere); in welke woning Heer Henrick van Mordrecht ridder tegenwoordig - d.w.z. ten tijde van de cijnsverkoop - woont; en tevens aan de tuin gelegen naast dat huis die Capell en aan een weg behorend bij dat huis die Capelle, aldaar, van de straat gaande naar 't huis die Capelle; wegens defect van betaling van een cijns van 6 pond, die Meeus van Berghen, Snijder, gekocht had van Gerrit van Amstel de zoon van wijlen Hendrick van der Schaut bij brieven van Zaterdags na Sacramentsdag in het jaar 1382. Welke cijns Gerrit opdraagt op heden -= 1419 - aan zijn zoon Meeus.

 

's-Bosch R. 1214 blad 43 31 januari 1444 n.st. Bosch Protocol

Ghijsbert Haeck z.w. Aert Haeck heeft opgedragen aan zijn zuster Lysbeth dr.w. Aert Haeck de helft in een huis, erf, en hof in een straatje, dat van Colperstraet loopt naar de mansio van Aert van Beke tegenover 't huis van Jorden Aert Tyelkens tussen Aert Beerwout, zadelmaker, en't erf `Die Capelle' vroeger van Lijsbeth, wed. van Jacob van Uden (nu van Mechtelt, wed. van Engbert Ludync van Uden), van het straatje tot een erf van de Vrouwe van Mordrecht. Aert Haeck had dat huis gekocht van de minderbroeders.

 

's-Bosch R. 1215 blad 31 11 januari 1445 n.st. Bosch Protocol

Meeus die Wael z.w. Gerit die Wael Ghijsbrechtsz en Lysbeth Meeus van Borghem snijder, heeft opgedragen aan Gerit van Tuyl, brouwer nat.z.w. Gerit van Tuyl een cijns van 6 pond payment, half op St. Jan en half op Kerstmis, uit een huis en erf `Die Cappel' over Loefsbrughe achterwaarts naast't woonhuis van W. Engbert Ludinc van den Di jck en uit een hof van 't huis `Die Capelle'.

Meeus had die cijns gekocht van Gerit van Amstel z.w. Henrick van der Schaut Rutger van Geldrop doet afstand van die cijns.

 

Literatuur

bulletAdresboek voor 's-Hertogenbosch, bewerkt volgens officiële gegevens 1928, (P. Stokvis en Zoon) 's-Hertogenbosch 1928 C.G.M. Bak ofm `Minderbroeders komen naar Den Bosch (1228)' in: 750 jaar minderbroeders in Nederland, 1, 1228-1529, Utrecht 1978
bulletH.P.H. Camps Oorkondeboek van NoordBrabant tot 1312, 's-Gravenhage 1979 H. van Dijk `Een klooster uit het BrabantsHollandse rivierengebied: de Abdij Berne en haar materiële betekenis in de middeleeuwen', in: Bernensia, XIV, 1970
bulletEdith Ennen Die europäische Stadt des Mittelalters, G~ttingen 1975 J. H. van Heurn Historie der stad en Meyerye van 's-Hertogenbosch, 1-1V, Utrecht 1776, heruitgave 's-Hertogenbosch 1974 J.A.M. Hoekx Inventaris van het archief van de Rijke Clarissen te 's-Hertogenbosch, (niet in de handel)
bulletLudger Horskötter o.praem. Der heilige Norbert und die Präimonstratenser. Die Kirchliche Erneverung im 12 Jahrhundert und in der heutigen Zeit, Duisburg-Hamborn 1978
bulletAlph.W. van den Hurk Norbertus en zijn Orde: tot ieder goed werk bereid, (Berne XXXV) Heeswijk-Dinther 1982 Inventaris der oorkonden afkomstig van het Jezuïeten College te 's-Hertogenbosch', in: Verslagen omtrent 's Rijks oude archieven, XVI (1893), Den Haag 1895 J. de Jong Handboek der Kerkgeschiedenis, 1-1V, Utrecht, Nijmegen, Antwerpen, Brussel, Leuven 1936 Kadastrale minuteplan van 's-Hertogenbosch (± 1823), Uitgave Boschboom 1969 J.A. de Kok, ofm `Minderbroeders in Nederland: de eerste provincie 1228/39-1529j' in: 750 jaar minderbroeders in Nederland, 1, 1228-1529, Utrecht 1978 Jan Mosmans en Alph. G.J. Mosmans Oude namen van huizen en straten te 's-Hertogenbosch, 's-Hertogenbosch 1907 J.F. Niermeyer `Het klooster Berne en de
bulletOntginning van de Oostelijke Meierij omstreeks 1200', in: Ceres en Clio, Wageningen 1964
bulletA.F.O. van Sasse van Ysselt De voorname huizen en gebouwen van 's-Hertogenbosch, 1910, II-74, II-156
bulletL.H.Ch. Schutjes Geschiedenis van het Bisdom 's-Hertogenbosch, I-N, 1973 F. Smulders en drs. M. Spierings Fiches op het Bosch Protocol over de jaren tot 1500, Rijksarchief in Noord-Brabant
bulletC. Tihon 'Apercus sur l'établissement des Lombardes dans les Pays-Bas aux XIIIe et X1Ve siècles', in: Belgisch tijdschrift voor
bulletFilologie en geschiedenis, deel XXXIX, 1961, p. 334-364
bulletF. Vercauteren `Document pour servir à I'histoire des financiers Lombard en Belgique 1309', in: Bulletin de l’institute historique Belge de Rome, XXVI, 1950-195 1, p. 43-67
bulletC. van der Walle Siardus Bogaerts, de prior en zijn monasterius te Huijbergen 1614-1670, Tilburg 1980 Hans Welters en Helmut Lobeck Kleine illustrierte Geschichte des stadt Kóln, Kdln 1976
bulletDe locatie van de tonput in de voormalige achtertuin aan de Waterstraat. Fragment van het kadastraal plan der Gemeente 's-Hertogenbosch, 1823.

 

   

 

 

 

U kunt een e-mailbericht met vragen of opmerkingen over deze website verzenden aan pvandinther@chello.nl.
Copyright © 2006 Website van Dinther, van Dinter, van Dinteren en van Denderen
Laatst bijgewerkt: 23 december 2009