|
| |
| Jos van der Vaart (*Den Bosch, 23-7-1919 + 19-3-2000) stond
bekend als ondernemend en vindingrijk op historisch gebied. Hij was een
persoonlijkheid die zich energiek toonde in zijn doen en laten. Zijn krachtige
stem en zijn niet aflatende inzet voor het behoud van de Bossche bouwhistorie
waren zijn handelsmerken.
Jos van
der Vaart, zoon van de directeur van de manufacturenhandel Van der Vaart in de
Hinthamerstraat. Studeerde voor architect. Hij trad na zijn studie in 1953 in
dienst bij de gemeente 's-Hertogenbosch, afdeling Stadsontwikkeling. Daar
speelde zich in de jaren zestig de tragedie af rondom demping van de Binnendieze
en het slopen van gevelrijen ten behoeve van autowegen.
Als
reactie daarop heeft Van der Vaart, inmiddels gevestigd met een zelfstandig
architectenbureau [1957], de Boschboom opgericht [1968] om op die manier tegen
die plannen te kunnen optreden.... en met succes ! Maar Van der Vaart werd als
architect nimmer door de gemeente gerespecteerd. Pas veel later zou hij erkend
worden maar dan als beschermer van het Bossche cultuurhistorisch erfgoed.
|
|
|
Het Lombardje: Jos van
der Vaart, architect h.b.o
Uit: Boschboombladeren 28,
1982.
Wanneer men wil komen tot
een gezonde stadsontwikkeling en een verantwoorde stadsvernieuwing van de oude
Bossche binnenstad, moet men onder meer het historische ontwikkelingsproces
tastbaar houden en zo mogelijk opnieuw afleesbaar maken. De functie van de oude
binnenstad, middelpunt zijn van het totaal stedelijk gebeuren, moet worden
veilig gesteld. De plaatselijke overheid dient dit als een van haar
belangrijkste taken te beschouwen. In dit verband is het opnieuw functioneel
maken van het zogenaamde Lombardje een prijzenswaardig initiatief geweest. De
oudste Bosschenaren herinneren zich ongetwijfeld de levendigheid van deze buurt,
gevormd door de straten Achter het Stadhuis, Achter het Wild Varken, het
Lombardje en het Klein Lombardje (zie bijlage 1). Hier werd geleefd en gewerkt,
al was de woonsituatie er verre van ideaal. In de zestiger en zeventiger jaren
raakte de buurt onbewoond en verkommerde. De leegloop van de binnenstad in die
jaren was wel een van de belangrijkste oorzaken hiervan. De verkrotte bebouwing
werd spoedig voor alle mogelijke doeleinden in gebruik genomen. Maar onderhoud,
onontbeerlijk om behuizing bewoonbaar en in stand te houden, bleef uit. Vóór ook
hier een kale plek de binnenstad ging ontsieren, ontstond het initiatief tot
reconstructie en herbouw. Het plan Lombardje is een antwoord op de vraag: hoe
kan men met een oude stad omspringen om haar opnieuw leefbaar te maken en te
houden? Dit was natuurlijk ook op andere wijze mogelijk geweest, zoals via
kaalslag en uit schaal en toon vallende bebouwing. Stadsontwikkeling is een
continu groeiproces, waarin vele factoren meespelen; tenslotte krijgt het
bouwplan een door de politiek bepaald stempel mee. De ervaring van de ouderen
onder ons, die zich deze stadsbuurt nog van vroeger herinneren, is treffend. Nu
de bouwbedrijvigheid rond het herstel van het Lombardje ten einde is en de
schutting is weggehaald herkennen zij een reeds lang vergeten maar vertrouwd
straatbeeld. Voor hun gevoel is er al die jaren nauwelijks iets veranderd.
Ondanks het nieuwe woongerief achter de herstelde gevels is er de sfeer van de
oude straat terug; alleen de bewoners en gebruikers ontbreken nog.
Naamsverklaring
De naam Lombardje zal
sommigen wat vreemd aandoen. Nu deze buurt in haar verjongde gedaante weer gaat
functioneren, is het daarom interessant na te gaan, waar deze naam vandaan komt
en hoe de oorsprong is van dit zogenoemde woon-, winkelgebied.
Bestuderen wij de situatie
van het Lombardje en de directe omgeving aan de hand van het kadastrale
minuteplan van ± 1823, zoals de Boschboom dat heeft bewerkt en uitgegeven, dan
valt ons het volgende op. Het gedeelte van het Bossche binnenstadsgebied, dat
ingesloten wordt door achtereenvolgens de straten: Achter het Stadhuis, Achter
het Wild Varken, de Wolvenhoek en de Waterstraat en dat aan de oostzijde
begrensd wordt door de rivier de Dieze - tegenwoordig ook de Verwersstroom
genoemd - is in twee karakteristieke delen te splitsen. Deze beide zijn
onderling gescheiden door een smal, doodlopend straatje, een beluik, het Klein
Lommertje. Het zuidelijke gedeelte heeft een open, onbebouwd binnenterrein, bij
de aangrenzende panden van de Wolvenhoek in gebruik als tuin. De nokrichting van
de bebouwing staat loodrecht op de voorgevelrooilijn langs de Wolvenhoek. Het
noordelijk deel echter kent een meer compacte, in elkaar verstrengelde
bebouwing, vermoedelijk ontstaan uit een drietal oorspronkelijke bouwpercelen.
De richting van de nok is tegengesteld aan die van het zuidelijk deel. Hier
staat de nok loodrecht op de rooilijn van Achter het Stadhuis en is evenwijdig
aan de rooilijn van Achter het Wild Varken. De bebouwing hier heeft vanaf het
ontstaan front gemaakt naar de straat Achter het Stadhuis. Dit deel wordt nog
eens doorsneden door een smal steegje het Lommertje genaamd. Dit steegje staat
in relatie met Klein Lommertje via een laag poortje dat je alleen bukkend kunt
passeren.
De schrijfwijze van de
beide straataanduidingen is volgens het huidige gebruik respectievelijk:
Lombardje en Klein Lombardje. Deze karakteristieke naam is ook aan dit
stadsvernieuwingsproject gegeven en blijft hierdoor voor de toekomst behouden.
Op een andere plaats in de
naaste omgeving vinden wij de genoemde aanduiding terug. De overkluizing over de
Mortelgracht ter plaatse van de Keizerstraat staat bekend als de Lombartsbrugge.
Over deze brug wordt in 1430 een erf tegenover 't Zevenbergshuis naast de stroom
aldaar omschreven als: `vroeger genaamd: der Lombart erve'. En op 25 oktober
1496 wordt er gesproken over: `die Husinge van den Lombarden achter de St.
Joriskapel achter aan die Diese'. Rond 1468 wonen Olyvier Olyviers en Marten
Janss in het Lombardenhuis en Jan van Gemart was hier kok.
In deze namen hebben de
Lombarden, handelslieden uit Noord-Italië, het zogenaamde Lombardije, in dit
deel van de stad een onuitwisbaar spoor achtergelaten. Met de bekende spaarzame
vroege vermeldingen uit het Bossche Protocol is de topografie van het gebied nog
niet zodanig te reconstrueren, dat de relatie van de Lombarden - die tot deze
naamgeving inspireerden - met dit gebied onomstotelijk kan worden aangetoond.
Misschien kan men in deze Lombarden namen de eerste aanduidingen zien van
stedelijk leven op deze plek; stedelijk leven dat zich ontwikkelde aan de
zuidflank van de stad buiten de oude stadsmuur op de rand van het agrarische
gebied met name aan de rand van het goed de Mortel. Niet onmogelijk is op een
later stadium eveneens aan de rand van het goed de Hulst woonbebouwing tot stand
gebracht en zijn Hulst en Mortel met elkaar in relatie gebracht door de brug die
naar de eerste bewoners ter plaatse de Lombartsbrugge is genoemd. Deze
Lombardenbuurt buiten de stadsmuur was niet alleen aantrekkelijk door de
nabijheid van de Markt - welke vorm en grootte deze toen ook gehad moge hebben -
waarmee wellicht via de verdwenen Kaathovense poort, in het verlengde van het
Lombardje gelegen, een rechtstreekse verbinding bestond, maar ook door de
nabijheid van een kleine Jodenbuurt, die zich enige decennia eerder had gevormd
voor de zich hier bevindende Antwerpse poort.
Handelsbewegingen in de
11e en 12e eeuw
Het ontstaan van onze stad
is, evenmin als het feit dat zich hier weldra Joodse en Noorditaliaanse
handelslieden vestigen, geen verschijnsel op zich geweest. In de 11 e en 12e
eeuw voltrekt zich het verstedelijkingsproces in geheel West-Europa. De
lakenindustrie breidt zich uit. Marktnederzettingen ontstaan. De Rijn verbindt
het gebied via Alpenpassen met Noord-Italië en via Regensburg met het
Donaugebied. Door handelsrelaties worden Keulen en Tiel met Londen verbonden.
Rijnlandse en Westfaalse handelaren alsmede Zuidnederlandse immigranten in
Sleeswijk-Holstein leggen de relatie tussen het noordoosten (Lubeck) en het
zuidwesten (Brugge e.o.). De aanwezigheid van handelaren vol ondernemingslust,
moedig, bereid verre reizen te ondernemen, garanderen de afzet van de producten
van de nijverheid. Deze wordt daardoor gestimuleerd zich verder uit te bouwen.
Het vrije, niet grondheerlijk gebonden ambacht zoekt de nabijheid van handelaren
en markt. De ambachtslieden trekken naar de stad. De geschetste ontwikkeling van
de middeleeuwse stedelijke markteconomie moet men zien in relatie met de
toenemende ontginningsactiviteiten op het platteland. De landbouwer wordt de
afnemer van de stedelijke producten en de leverancier van de eerste
levensbehoeften van de stedeling. Handel en ambacht worden tot stedelijke
activiteiten. Een taakverdeling tussen stad en land begint zich door te zetten.
In dit proces speelt de stedelijke markt een gewichtige rol.
In alle tijden zijn er
mensen die, gedreven door nood of hebzucht, geld lenen. Waar onbaatzuchtige hulp
zeldzaam is, is renteheffing zeer gebruikelijk. Kerk en kerkvaders hebben reeds
vroeg en voortdurend gewaarschuwd voor misstanden rond het lenen van geld.
Ambrosius noemde alles wat aan het kapitaal toegevoegd werd woeker. Door kerk en
concilies wordt renteheffing herhaaldelijk als woeker veroordeeld en wordt de
woekeraar uitgesloten van kerkelijke bediening en begrafenis. Het feit dat de
kerkelijke veroordelingen zich door de eeuwen heen herhalen, verraadt dat men
gewoon doorging met rentepercentages te berekenen. Het lijkt in dit verband
hypokriet dat zelfs kerkelijke bestuurders, gedreven door geldnood, tegen rente
geld lenen. Bij gebrek aan oorspronkelijke teksten kunnen wij alleen vermoeden,
dat er ook in het Brabantse een beroep zal zijn gedaan op geld van anderen.
Volgens Edith Ennen is de
handel in ZuidEuropa, speciaal wat betreft luxeartikelen en specerijen, vanouds
voor een aanzienlijk deel in handen van Joodse kooplieden. In Keulen zijn Joden
aanwezig vanaf de Romeinse tijd (zie bijlage 2). Met de reeds gesignaleerde
handelsbewegingen verspreiden zij zich vanaf het einde van de 11 e eeuw over de
West-Europese landen. Wanneer in deze periode de kruistochten een aanvang nemen,
onder invloed waarvan de handel een sterke stimulans krijgt, ontstaat
tegelijkertijd een religieuze onverdraagzaamheid jegens de Joden. Bij een
uitbarsting in Keulen in mei 1096 worden ongeveer 200 Joden omgebracht. De Joden
die aan de volkswoede ontkomen, worden door de Keulse aartsbisschop op
verschillende plaatsen in veiligheid gebracht. De vervolgingen in Keulen en het
gehele Rijnland zijn mede oorzaak dat de Joden zich vestigen in de jongere
handelscentra. Nog vindt men in de nabijheid van markten aanduidingen, die de
aanwezigheid van Joden daar aantonen, zoals bijvoorbeeld de namen het
Jodenrijtje te Utrecht, de Jodenstraat met om de hoek de Muntstraat te
Maastricht, de Jodenberg te Nijmegen, Jodenkamp te Groningen, Judengasse te Aken
en Keulen, het Juden-Viertel te Trier en in 's-Hertogenbosch de Porta Judeorum
of Jodenpoort nabij de vicus selli parorum (de zadeleerstraete), waarvan in een
oorkonde van 1309 sprake is en Achter het Stadhuis dat volgens Van Heure ook wel
Jericho heette naar de vele Joden die in de middeleeuwen in deze straat woonden.
In deze en vele andere plaatsen drijven de Joden misschien vooral de geldhandel,
waarmee zij om allerlei redenen vertrouwd zijn. Zij vallen immers niet onder de
kerkelijke bepalingen die renteheffing trachten tegen te gaan. Bovendien hebben
zij door hun onderlinge verbondenheid een zakelijke kijk op en kennis van
muntwaarden elders in de wereld. De situatie is in de 13e eeuw veranderd. De
ontwikkeling van het economische leven brengt een toenemende stroom van koopwaar
en een groeiende behoefte aan geldmiddelen. Ook vorsten en grondheren, voor wie
de inkomsten uit eigen goederen niet langer toereikend zijn, hebben steeds meer
baar geld nodig. Daarnaast liggen de voornaamste moeilijkheden van stedelijke
nederzettingen ook op financieel terrein. Openbare voorzieningen moeten worden
aangebracht, zoals aarden wallen en stadsmuren, terwijl de middelen hiervoor
ontbreken. Dit alles brengt met zich mee, dat men steeds meer gedwongen is
geldleningen aan te gaan. Geldhandelaren brachten hierin uitkomst. Onder hen
zijn zoals reeds opgemerkt en om de reeds opgesomde redenen Joden het meest
voorkomend. Deze situatie en het inspelen op een toenemende behoefte heeft de
sympathie jegens hen niet bevorderd. Integendeel, hun wordt vaak woeker
verweten, waar zij rente vroegen van christenen. Op de kerkvergaderingen van
1179 en 1215, respectievelijk het derde en vierde Lateraans concilie, komen
discriminerende bepalingen tot stand; christenen wordt het verboden tussen
ongelovigen te wonen. Daardoor ontstaan de grote en kleine Jodenkwartieren, de
getto’s waar de Joden samenwonen. Christengemeenschappen mogen hen ook niet
huisvesten; vandaar de ligging van deze kwartieren juist buiten de stadsmuur
zoals in 's-Hertogenbosch waar de Antwerpse poort daarom ook wel Jodenpoort
wordt genoemd. In Keulen echter genoten de Joden om welke reden dan ook van een
bevoorrechte situatie. Zij bezaten er een waar monopolie, zozeer zelfs dat de
Lombarden zich er niet blijvend konden vestigen. De Joden kenden in Keulen eigen
burgerlijke en religieuze organisaties. Zij bezaten er een synagoge, kerkhof,
school en eigen rechtspraak. In het algemeen trouwens genoten de Joden in het
Duitse Rijk bescherming van kerk en keizer. Waar het hertogdom Brabant kerkelijk
tot het aartsbisdom Keulen behoorde en deel uitmaakte van het Duitse Rijk, is
het begrijpelijk dat de Joden er in een vergelijkbare situatie verkeren. Hier
neemt men vanaf het einde van de 12e eeuw of het begin van de 13e eeuw Joden
waar. In 1253 zijn er Joden in de kleine Brabantse stad Zoutleeuw. Op 16
november 1253 betaalt Willem de Rijckel, abt van Sint-Truiden hun een som van 10
ponden, 1 stuiver en 10 penningen Luiks. Dit bedrag was hem geleend door Otto de
geldwisselaar van Zoutleeuw c.s. Misschien betreft het hier een terugbetaling
van een schuld van 30 ponden Luiks, die hij in 1249 met niet nader aangeduide
Joden had aangegaan ten gunste van Henrik van Gelre, de elect van Luik. Men
stelt niet enkel de aanwezigheid van Joden vast in het 13e-eeuwse Brabant, onder
Hendrik LLI (1248-1261) hebben zij in het hertogdom misschien ook een zekere
invloed. De hertog belast hen namelijk betalingen te doen in zijn naam.
Enigszins vreemd doet het daarom aan, dat deze hertog in zijn testament van 26
februari 1261 hun gelast het hertogdom te verlaten. Hoewel de reden van deze
laatste wil moeilijk achterhaalbaar is, kan de vrees voor het sterven met een
bezwaard geweten de hertog tot deze beslissing gebracht hebben. Deze beslissing
was trouwens niet alleen tegen de Joden gericht, maar tegen alle geldschieters.
Overigens is aan deze opdracht naar het schijnt nauwelijks gevolg gegeven. Ook
hiervan is de oorzaak moeilijk aan te geven.
Lombarden en Cahorsins
De Joden waren evenwel
niet de enigen die zich met geldhandel bezighielden. Geldleenhuizen werden ook
ingericht door handelaren uit Noord-Italië, Lombardije, de zogenaamde Lombarden.
Zij worden ook een aantal malen Cahorsins, Cahoursins, Caorsini of Cawersini
genoemd. In 1281 verklaart een rentenier uit Luik in zijn testament dat hij de
garderobe van zijn vrouw heeft verpand 'apud Caoursinos'. Het is algemeen bekend
dat de Cahorsins, werkzaam in Noordwest-Europa, afkomstig zijn uit Lombardije en
Piémont. Waar personen genoemd worden, komen zij uit Asti of Chieri. Deze twee
steden van Piémont, hebben gedurende twee eeuwen het merendeel van de Lombarden
in de Lage Landen geleverd. Zo neemt de stad Utrecht op 27 oktober 7 260 André
Albert en Folcuin Asinari als burger op. Zij behoren tot een vooraanstaande
familie uit Asti, waarvan de leden het typische Lombarden-beroep uitoefenen,
namelijk het houden van een geldleenhuis, dat later zelfs naar hen wordt
genoemd: Lombard of Lommerd. Zij dreven dit huis tot aan het begin van de 15e
eeuw. Uit deze en andere gegevens concludeert men dat het woord Cahorsin vanaf
de eerste helft van de 13e eeuw synoniem is met Lombard. Het Bosch Protocol
vermeldt nog in de eerste helft van de 15e eeuw Lodevicus Asinarius, Coenradus
de Assinariis en Thomas Asinarius et ejus socii mercatores in Busc.
Wisselende houding
Bekend is dat de Lombarden
vanaf het begin van de 13e eeuw de Alpen oversteken en zich over Frankrijk
verspreiden. De koning van Frankrijk, Lodewijk VIII (1187-1226), staat in
augustus 1225 alle burgers van Asti toe in de buitenwijken van Parijs gedurende
vijf jaren zaken te doen, met name lenen tegen onderpand. Opmerkelijk is dat hij
twee jaren daarvoor nog maatregelen tegen de Joden had getroffen. De vergunning
aan de inwoners van Asti betreft het eerste octrooi, dat men voor Frankrijk
kent. Deze officiële akte wordt bevestigd door de kroniekschrijver van de stad
Asti, Alfieri. Hij schrijft in 1226: `Cires Astense coeperunt praestare et
facere usuras in Francia et ultra montanis partibus, ubi multam pecuniam lucrati
sunt; tamen ibi multa mala passi sunt in personis et rebus'. Hun snelle groei in
aantal, maar meer nog hun buitensporige vorderingen geven aanleiding tot verzet.
Vorsten, dikwijls hun debiteuren, nemen maatregelen om hun invloed te beperken.
In Engeland en Frankrijk kan men dit waarnemen. Ook de kerk tracht een eind te
maken aan de gegroeide misbruiken. Het concilie van Lyon, bijeen in 1274, gaat
met zijn strenge maatregelen veel verder dan het concilie van Lateranen van
1179. Het schrijft maatregelen voor die ten doel hebben te voorkomen dat de
woekeraars hun handel voortzetten. De autoriteiten zijn verplicht openbare
woekeraars uit te wijzen. Niemand mag huizen in huur, gebruik of eigendom geven
om er woeker in toe te staan. In deze jaren heeft men een teruggang bij
leenovereenkomsten in Doornik kunnen vaststellen als gevolg van de richtlijnen
van het concilie van Lyon. In Utrecht doet men het anders. Men grijpt er de
gelegenheid die het concilie biedt aan om van zijn schuldeisers af te komen. Op
23 oktober 1280 worden er onder meer 8 Lombarden gearresteerd. Hun bezittingen
worden in beslag genomen en onder de slachtoffers van hun woekerpraktijken
verdeeld. De hardheid van de voorschriften van het concilie van Lyon zal evenwel
weldra verminderen ten gevolge van de toenemende behoefte aan geldmiddelen bij
vorsten en zakenwereld, die beiden om krediet vragen.
Deze wisselende opvatting
ziet men weerspiegeld in de verplichting die de Utrechtse Lombarden zich in 1283
op de hals halen. Zij verplichten zich onder ede niets terug te vorderen van het
enige jaren eerder in beslag genomen goed. Zij schijnen deze verklaring af te
leggen op het moment dat zij hun activiteiten in de stad hervatten.
Vanaf het laatste kwart
van de 13e eeuw is er een grote toename van Lombardische vestigingen waar te
nemen. De stichtingvan een bank van lening was onderworpen aan de toestemming
van de heer van de grond. Vandaar dat de Lombarden overal waar zij zich vestigen
andere voorwaarden opgelegd krijgen. In Vlaanderen bijvoorbeeld worden de eerste
octrooien genoteerd beginnend in 1280 à 1282 voor afzonderlijke plaatsen. Door
één enkel document, de op gave van de schulden van Johanna van Constantinopel,
is bekend dat er vóór 1244 in Vlaanderen reeds minstens vijf leenhuizen
gevestigd zijn en één in het graafschap Henegouwen.
Dat er in Brabant
Lombarden aanwezig zijn, wordt bewezen door het reeds vermelde testament van
hertog Hendrik III, waarin hij gelast de Joden en ook de Cahorsins het Brabantse
hertogdom uit te zetten en ze uit te roeien. Evenmin als de andere clausules van
het testament schijnt dit bevel overigens uitgevoerd te zijn. Zijn weduwe
Adelheid, die in naam van haar zoon van 1261 tot 1267 het regentschap uitoefent,
heeft de uitvoering van een dergelijke radicale maatregel niet overwogen. Men
maakt dit op uit het antwoord dat Thomas van Aquino haar deed toekomen. Zij had
hem een aantal bestuurlijke problemen betreffende het hertogdom voorgelegd,
speciaal met betrekking tot de wijze van behandeling van Joden en Cahorsins. Er
volgt hier geen analyse van het antwoord van de beroemde dominicaanse doctor.
Alleen wordt er hier op gewezen, dat de doctor geen enkele zinspeling maakt op
een uitzetting van woekeraars. Wanneer er al uitzetting heeft plaatsgevonden,
dan is het in ieder geval van korte duur geweest. In ieder geval vanaf 1267 zijn
er Joden en Cahorsins te Brussel. Op 29 juni van dat jaar immers belooft hertog
Jan I- terwijl hij de privileges van de stad Leuven bevestigt - aan de Joden en
aan de Cahorsins van Leuven hetzelfde statuut te geven als die van Brussel
bezitten. De situatie in het hertogdom Brabant schijnt overigens een weinig
anders te zijn dan in Vlaanderen. In plaats van één octrooi voor iedere stad
afzonderlijk, schijnt het octrooi hier vanaf het begin geldig geweest te zijn
voor het gehele hertogdom.
Geldhandel in
's-Hertogenbosch
Bij gebrek aan geschreven
bronnen kan de stedenbouwkundige locatie van de eerste leenhuizen een belangrijk
gegeven zijn om tot datering te komen van de aanwezigheid van geldhandelaren in
een bepaalde stad.
Het voorkomen van
straatnamen, die op de presentie van Joden en Lombarden zo vroeg en zo nabij het
stadshart wijzen, rechtvaardigt de conclusie dat beide groepen geldhandelaren in
de aanvangsperiode van een stad als 's-Hertogenbosch al actief waren. Zij kwamen
hier evenals andere kooplieden en handelaren om hun handel te drijven. Hun
nering ging zo florissant, dat de autoriteiten zich genoodzaakt voelden met hen
afzonderlijke regelingen aan te gaan. Wanneer men aanneemt, dat het door de
hertog voor de Joden en Cahorsins van Brussel en Leuven afgegeven octrooi geldig
is voor het gehele hertogdom, dan mag men ook aannemen, dat aan de Joden en
Cahorsins of Lombarden van de beide andere Brabantse hoofdsteden Antwerpen en
's-Hertogenbosch in dezelfde tijd, in 1267, een statuut is afgegeven, gelijk aan
het statuut dat ook die van Brussel bezaten. Ongetwijfeld zijn dan de Lombarden
hun geldleenpraktijken in 's-Hertogenbosch begonnen niet ver van het
Jodenbuurtje ter plaatse van het huidige Lombardje. Op het binnenterrein van dit
nu juist gerehabiliteerde bouwblok zal het eerste Bossche leenhuis de Lombard
hebben gestaan. Gelet op de situering ten opzichte van onze markt kunnen de
handelsactiviteiten van de Lombarden hier in de eerste helft van de 13e eeuw een
aanvang hebben genomen.
De Lombard Thadeus
Cavenson alias Willem van 's-Hertogenbosch
Op 3 december 1284 draagt
hertog Jan 1 van Brabant schepenen, gezworenen en burgerij van 's-Hertogenbosch
op de gehele opbrengst van de accijns tot 1 oktober 1288, tot een bedrag van
1827 pond en 10 schellingen, uit te betalen aan zijn Lombard Willem op de
daarvoor gestelde termijnen zulks ter voldoening van een schuld. Naast de vele
perspectieven, die deze opdracht met betrekking tot de handelspositie van de dan
bijna 100-jarige stad opent, moet het opvallen dat de hertog Willem `zijn'
Lombard noemt. Dit duidt op een bestaande solide relatie, mogelijk in verband te
brengen met het hiervoor genoemde statuut van 1267. Als men dit leest kan men
zich nauwelijks voorstellen dat arrestaties zoals die van 1280 in Utrecht, in
een van de Brabantse steden konden plaats vinden. Dr. H.P.H. Camp, auteur van
het `Oorkondenboek van Noord-Brabant tot 1312' heeft bij de boven aangehaalde
oorkonde een zeer uitvoerig en gedocumenteerd commentaar gegeven dat in het
kader van deze studie een waardevolle aanvulling is. Camps heeft voorzover hem
bekend de zeer indrukwekkende financiële activiteiten van deze Lombard Willem
van 's-Hertogenbosch verzameld.
Hij wordt het eerst
genoemd in een oorkonde van graaf Reinoud I van Gelre, gegeven te Grave, 15
januari 1282. Hierin erkent de graaf 900 pond Leuvens schuldig te zijn aan deze
Willem. Op 5 april 1282 verklaart dezelfde Reinoud 3000 pond Leuvens schuldig te
zijn aan Thadeo Cavenson civi Bastensi, dicto Willelmo de Buscho ducis. Volgens
Camps blijkt expliciet dat deze Lombard inderdaad in 's-Hertogenbosch heeft
gewoond en daar zijn bedrijf heeft uitgeoefend. Zijn eigenlijke naam is Thadeus
Cavenson. De auteur heeft achterhaald, dat deze Thadeus uit Asti afkomstig is en
daar tot een der vooraanstaande families behoorde n.l. de Cavazzoni. In een
oorkonde van 29 december 1277 wordt Thadeus Cavazonus als één van de vier wijze
mannen van de stad Asti vermeld. Op 3 december vindt de aangehaalde opdracht
plaats. Camps concludeert dat de Lombard in 1285 gedurende enige tijd in
Dordrecht verblijft. Op 14 juni van dat jaar is hij een van de scheidslieden in
het geschil tussen de heer van Cuyk en de stad Dordrecht over de tol van Cuyk.
Camps vermoedt dat onze Lombard identiek is met de Wilhelmus die kort tevoren,
13 mei 1285, een aanbevelingsbrief van graaf Floris V kreeg en daarin door de
graaf zijn 'negociator et legitimus et fidelis ac oppidanus noster in Dordrecht'
(rechtmatige en trouwe geldhandelaar en burger van onze stad Dordrecht) wordt
genoemd. Op 28 april 1287 is hij met de steden Leuven, Brussel en Antwerpen en
een aantal edelen borg voor een lening van Beatrix, vrouwe van Kortrijk, aan de
hertog. 29 Augustus 1290 verricht hij weer diensten voor graaf Floris V. Een
koopman uit Lucca die zichzelf de pelgrim van Chartres noemt, erkent ontvangen
te hebben van de graaf van Holland uit handen van Willem van 's-Hertogenbosch
1000 Parijse ponden ten behoeve van de hertog van Brabant. Nog tweemaal wordt
onze Lombard Willem van's-Hertogenbosch in een oorkonde genoemd. Op 15 december
1291 erkent Gwijde, graaf van Vlaanderen, schuldig te zijn aan Thadeus
Cavassonne, genaamd Willem van 's-Hertogenbosch, Lombard, de som van 6706 pond
zwarte tournooisen en 16 schellingen die hij zal betalen in vier termijnen.
Gwijde heeft dit geld bij de Lombard opgenomen om Reinoud, graaf van Gelre, die
na de slag van Woeringen in grote financiële moeilijkheden was geraakt, te
steunen. Op 26 december 1292 verklaart Lombard Willem zoveel ontvangen te hebben
van Gwijde, dat hij Reinoud kwijting kan geven van al zijn schulden, afgezien
van de betalingstermijnen waarover hij een schikking getroffen heeft met Hendrik
van Gennep en Lotijn van der Weide. Camps beredeneert, dat als plaats van
uitvaardiging van de reeds genoemde overeenkomst tussen Floris V en de koopman
van Lucca, waarbij Willem van 's-Hertogenbosch bemiddelt, Londen als de meest
waarschijnlijke moet worden geacht. Blijkbaar is deze Lombard één van de
instrumenten geweest die gebruikt werden in het diplomatieke spel van de
negentiger jaren tussen Engeland, Vlaanderen en Holland, waarbij ook Brabant
betrokken was.
Een Bosch’
samenwerkingsverband van Lombarden
Wanneer men van het
voorgaande met betrekking tot deze Willem van 's-Hertogenbosch, Lombard, kennis
neemt, dan komt men onder de indruk van het werk, dat hij j in deze periode
verzet, de activiteiten die hij ontplooit, de geldbedragen waarmee hij omgaat,
de personen die erbij betrokken zijn, de relaties die hij onderhoudt, het
vertrouwen dat hij geniet, de uitgestrektheid van het territoir dat hij met zijn
bezigheden bestrijkt en dit alles, niet onmogelijk, vanuit 's-Hertogenbosch. De
rol die deze Willem van 's-Hertogenbosch, geboortig uit Asti aan gene zijde van
de Alpen, hier in zijn tijd speelt, is karakteristiek te noemen voor het
functioneren van de Lombarden in de 13e eeuw.
Wil men deze werkzaamheden
goed verrichten, het benodigde vertrouwen wekken, dan moet men bereikbaar zijn;
hiervoor is een organisatie nodig en deze vraagt om een vaste vestigingsplaats.
Dit alles komt niet zonder meer uit de lucht vallen. Generaties lang wordt
hieraan gewerkt. Op grond van de voorkomende straatnamen als Lombardje, Klein
Lombardje en Lombardsbrugge mag men aannemen, dat deze 13eeeuwse Lombardische
organisatie gelokaliseerd is geweest in de omgeving waar deze namen in onze stad
's-Hertogenbosch voorkomen en waar zoals gezegd de eerste geld-leenpraktijken
zijn begonnen. Op 21 mei 1309 beloven Hendrik van Mierlo, zijn zoon Rover,
Arnold Poeldonk, Jan Vranke, Peter van Steenwege en zijn broer Rutger te zullen
betalen aan Gillis de Lombard 148 pond zwarte tournooisen, ten behoeve van de
verenigde Lombarden in 'sHertogenbosch. In mei 1312 treffen wij een bijna
gelijkluidende transactie aan. Deze beide vermeldingen tonen overtuigend aan dat
in de stad 's-Hertogenbosch inderdaad een organisatie van Lombarden gevestigd is
geweest (zie bijlage 4).
|
De verenigde Brabantse
Lombarden
Dat het niet enkel om
Willem van 's-Hertogenbosch gaat, maar dat bij de grote transacties inderdaad
een hele organisatie betrokken is, toont het volgende. De afrekening van het
vermogen van de Lombard Benoit Royer leert ons, dat hertog Jan 1 in 1293 de
aanzienlijke som van 100.000 ponden tournoois verschuldigd is aan alle Lombarden
van Brabant. Dit kan duiden op een gecentraliseerde organisatie van de Lombarden
in het hertogdom. Er is nog een andere overeenkomst afgesloten met de Lombarden
in Brabant. Deze overeenkomst is te dateren tussen maart 1296 en 27 mei 1296 en
wordt afgesloten door hertog Jan II; borg blijven Robert de Béthune, graaf van
Nevers, graaf Gwijde van Vlaanderen, Guillaume, heer van Grevecoeur. En in maart
1307 is er dezelfde Robert de Béthune, nu graaf van Vlaanderen, die instaat voor
de uitvoering van een overeenkomst afgesloten eveneens door Jan II met zijn
Brabantse Lombarden. In beide genoemde transacties gaat het misschien om
octrooien, die voor het gehele hertogdom Brabant gelden. De opvolgers van Jan 1,
Jan II, Johanna en Wenselaus houden de gewoonte in stand zich met hun verzoeken
om geldleningen te wenden tot `alle' of de 'verenigde' Brabantse Lombarden.
Alleen in Brabant komt vanaf de tweede helft van de 14e eeuw een speciale agent,
maior of meier van de Lombarden voor. Deze meier is door de hertog belast met
het waken over het handhaven van rechten en renten respectievelijk van vorsten
en Lombarden. Dank zij een oorkonde, aanwezig in het stadsarchief van Pisa, die
een brief bevat van de Rooms-Koning Hendrik VII met een uitnodiging aan de
Lombarden om met kerstmis 1309 naar Keulen te komen, is bekend in welke plaats
in dat jaar 1309 Lombarden aanwezig zijn. In het hertogdom Brabant zijn dat:
Nijvel, Henripont (Hainaut), Lembecq, Assche, Merchtem, Vilvoorde, Mechelen,
Rumst, Antwerpen, Lint, Itegem, Herentals, Hoogstraten, Breda, Bergen op Zoom,
Steenbergen, '‘s-Hertogenbosch, Berkel, Eindhoven, Helmond, Son, Halen, Diest,
Zichem, Terstelt, Aarschot, Haacht, Meerbeek, Leuven, Tienen, Zoutleeuw, Hannut,
Jauche, ZetrudLumay, Jodoigne, Incourt, Warre; GrezDoiceau, Overijss(ch)e,
Corroy-le Grand en Gembloux. In het graafschap Loon zijn het: Montenaken,
Saint-Trond, Hasselt, Maaseik, Bilzen, Stokken, Bree en Maastricht. In
Vlaanderen: Pamel, Herzele, Zottegem, Alost, Gavere, Boelare en Viane. Dat de
Lombarden zich naar eigen keuze op zoveel locaties binnen het hertogdom konden
vestigen, is waarschijnlijk te danken aan de faciliteiten, die een voor Brabant
misschien algemeen geldend octrooi bood, Voorlopige samenvatting waarover eerder
in deze studie reeds suggesties werden gedaan. In het voorafgaande zijn de
ontwikkeling en de gang van zaken rond de Lombarden geschetst gedurende de
eerste eeuw van jong stedelijk leven. Wij hebben kunnen waarnemen, dat zij aan
het einde van de 13e en aan het begin van de 14e eeuw over ons gehele hertogdom
een netwerk van leenbanken hebben uitgespreid. Zij genieten de bescherming van
vorsten en heren. Zij verschaffen deze immers belangrijke geldmiddelen en deze
bedienen zich zelfs van hen voor het beheer van hun financiën en de aanmaak van
geld. Gewoonlijk worden zij tot de burgerij van de steden toegelaten. Eenmaal
ingeschreven als burger kunnen zij hun overeenkomsten laten opstellen en
goedkeuren door plaatselijke juristen en uitvoering verkrijgen, wanneer
debiteuren met betaling in gebreke blijven. Zo hebben zij overvloedige winsten
kunnen vergaren. Ongetwijfeld zet deze omstandigheid de om geld verlegen
zittende Hendrik VII aan de Lombarden in Keulen bijeen te roepen met het doel
leningen en (of) giften te verkrijgen.
Wat ook het doel kan zijn
geweest van deze oproep van de Rooms-Koning, het document dat er uit resulteert
levert ons een algemeen beeld van de vestigingsplaatsen van de Lombarden in onze
streken op een tijdstip, waarop het ingrijpen van de kerk hun activiteiten weer
eens op losse schroeven zette. Inderdaad zal de kerk nooit ophouden al of niet
vermeende woeker te bestrijden. Streefde het concilie van Lyon van 1274 ernaar
een einde te maken aan de invasie van vreemde geldschieters, het concilie van
Vienne, in 1311 bijeen, waarvan de decreten op 25 oktober 1317 openbaar worden
gemaakt, poogt paal en perk te stellen aan de meest afkeurenswaardige kanten van
hun bedrijvigheid. Renteheffing werd als woeker gediskwalificeerd en daarom
veroordeeld.
In de kerkprovincie Keulen
zijn kort na 1317 heftige reacties van hen die er op uit zijn tegen Lombarden te
kunnen optreden. Klachten van de benadeelden worden op hun beurt reeds in 1320
gehonoreerd met schadeloosstelling. Een en ander brengt ernstige verstoring
teweeg van de denk- en gevoelswereld. Het al of niet geoorloofd
zijn van woeker, waar ligt
de grens? De stellingname in deze wisselt van plaats tot plaats en is zonder
twijfel in overeenstemming met de fijngevoeligheid van het geweten van
geldschieters en autoriteiten. Hoe het ook moge zijn, de conciliedecreten hebben
een beperkend effect op de ondernemingen van de Lombarden. Wanneer in de 15e en
16e eeuw de Lombarden pandnemer of lommerdhouder worden, komen er maatregelen om
het aantal van deze ondernemingen te verminderen. Daarentegen hebben de
conciliedecreten geen enkel bestendig gevolg voor wat betreft de duurzame
aanwezigheid in onze streken van de Lombarden en hun leenbanken. Wordt er schade
aangericht, dan laat een schadevergoedingsregeling niet lang op zich wachten,
zodat de Lombarden hun activiteiten spoedig weer kunnen hervatten. Ongetwijfeld
zullen niet al de octrooien in de plaatsen die er in 1309 een bezaten, worden
aangehouden. Het verdwijnen van een Lombard kan men toeschrijven aan het geringe
voordeel dat een octrooi opleverde in een plaats met weinig winstgevend en
teruglopend handelsverkeer. Wanneer het verzet van de kerk tegen lenen met rente
in de loop van de 15e eeuw verstompt, zal de vraag naar de aanwezigheid van de
Lombarden niet meer worden gesteld.
Het verblijfsgebied van
de Lombarden
Eerder in dit verhaal is
geschetst dat de Lombarden in onze stad hun praktijk van geldhandelaren zijn
begonnen in het Lombardje. Er werd omtrent deze buurt een duidelijke scheiding
gemaakt en wel tussen een noordelijk dichtbebouwd gebiedje, dat - te oordelen
naar de nokrichting, loodrecht op de voorgevel-rooilijn - vanaf het ontstaan van
dit blok front heeft gemaakt naar de straat Achter het Stadhuis en een zuidelijk
blok met grote achtertuinen. De nokrichting hiervan is in principe loodrecht op
de andere. De hoofdnokrichting is loodrecht op de voorgevel van de Wolvenhoek.
De oorspronkelijke bebouwing hier maakte front naar de Wolvenhoek. Ook het
gesloopte hoekpand op de hoek van Waterstraat had zijn voorgevel naar de
Wolvenhoek. De bebouwing langs de Waterstraat is van jongere datum. In 1383
wordt gesproken over `de straat die van Colperstraet (Verwersstraat) loopt vóór
't woonhuis van Dirk Loef, wolwever, over de brug aldaar in de richting van 't
woonhuis van de Vrouwe van Lake'. Hier is de Waterstraat bedoeld, evenals in het
volgende voorbeeld: `in een straatje dat van Colperstraet loopt naar de 'Mansio'
van Aert van Beke...' Dergelijke aanduidingen komen voor deze Waterstraat vaker
voor. De indruk wordt gewekt, dat deze straat voor een deel ontstaan is uit een
aanvankelijk particuliere inrit, die toegang gaf tot het terrein van een mansio
c.a., dat wil zeggen een omgracht gebied met versterkte woonbebouwing.
Een tonput
Bij de uitvoering van de
grondwerken ten behoeve van de bouw van de parkeergarage de Kuil in de jaren
1974/1975 op het reeds eerder door kaalslag geruimde bouwterrein langs de
Waterstraat werd door de Bossche amateur-archeologen de gebroeders A.J.C. en
P.J.C. Verhagen een oude, ruime drinkwaterput uitgegraven en onderzocht. Deze
put bevond zich destijds achter de woonbebouwing langs de Waterstraat in een
voormalige achtertuin. De juiste plaats is op de kaart aangegeven. De put lag
iets terzijde van een passage via een koetshuis, waardoor deze achtertuin vanaf
de Waterstaat bereikbaar was. Deze put was opgetrokken uit metselwerk ter dikte
van één steen in kloek formaat; de inwendige diameter bedroeg niet minder dan
260 cm; de aanlegdiepte was op ongeveer 150 cm boven het N.A.P. In het slib en
zand dat de put vulde, werden door de gebroeders Verhagen twee kookpotten,
zogenaamde grapen, aangetroffen. In het hart van de put was een houten ton
ingegraven, een oud, vermoedelijk 13-eeuws wijnvat zonder bodem, waarin geen
vondsten werden aangetroffen. Aangezien verontreinigingen of beer ontbraken, mag
men aannemen dat deze tonput als drinkwaterput in gebruik is gebleven tot het
moment dat hij met zand werd aangevuld. Juist op de rand van de ontgraving langs
de Waterstraat, tegenover de hoofdingang van het kantoorgebouw van
Rijkswaterstraat werd over de volle hoogte van de ontgraving zwaar metselwerk
aangetroffen van een groot formaat baksteen dat behoord kan hebben tot genoemde
mansio. Aan het einde van de 13e eeuw, toen dit mansio-complex ten gevolge van
het tot stand komen van de tweede stadsmuur zijn karakter verloren had, is het
goed verkaveld en uiteengevallen in een aantal kleinere bebouwde en onbebouwde
percelen. De oorspronkelijk particuliere inrit is toen via de Lombardenbrug in
relatie gebracht met de Hulst en de straat is openbaar geworden.
Er zijn enige zeer
interessante transacties bekend afkomstig uit het Bosch Protocol, met betrekking
tot één van deze kleinere percelen, waarin sprake is van een `kapel'. De beide
eerste opdrachten met betrekking tot deze kapel werden mij jaren geleden ter
hand gesteld door Ferdinand Smulders met de vraag: Heb jij een idee, waarop deze
beide opdrachten betrekking kunnen hebben? Jarenlang obsedeerden deze opdrachten
mij. Een studie naar de vestiging van de minderbroeders in een aantal jonge
handelscentra in verband met de Franciscus-herdenking in 1978 bracht mij op de
hier volgende gedachten. Sedertdien ontving ik van mevrouw drs. Mechelien
Spierings nog een aantal vroegere transacties waarin deze kapel genoemd wordt.
Deze transacties brachten mij tot enige gedachteconstructies. Ze behoeven enige
inleidende opmerkingen over de ascetische beweging, die in Europa gaande was
sinds de 11e eeuw.
Armoedebeweging
De opkomst van de steden
en de vrije burgers in de 11 e en 12e eeuw valt samen met de
hervormingsactiviteiten in de kerk. De mensen krijgen steeds meer antipathie
tegen de grootgrondbezitters aan wie zij belasting moeten betalen. Dit zijn niet
enkel wereldlijke heren, maar ook zeer dikwijls kloosters en bisschoppen. In
geheel WestEuropa ontstaan in de loop van de 12e eeuw groepen, die zich tegen
rijkdom en bezit keren en zich vrijwillig tot de armoede wenden. Deze
armoede-activiteiten krijgen soms het karakter van politieke en sociale
hervorming die de kerkelijke begrenzing vaak ver te buiten gaat. Zo ontstaan de
Katharen, de Albigenzen, Waldenzen en in Lombardije in 1301 de Humiliaten. Er is
echter ook een armoedebeweging, die binnen de grenzen van het kerkelijk gebeuren
blijft. Eén van de voorgangers is het klooster van Citeaux. In de directe
omgeving van de stad 's-Hertogenbosch is omstreeks 1200 een klooster, dat in
navolging van deze reformatie van Citeaux op een strengere beleving van de regel
van Benedictus gebaseerd is. Het betreft het klooster Porta Coeli dat in 1205
door Winand van Basel is gesticht (zie bijlage 5). Ook Norbertus van Gennep
ontdoet zich in 1119 van zijn goederen en kiest voor een bestaan als apostolisch
armoedeprediker. In 1120 sticht hij zijn eerste kloostergemeenschap in het dal
van Prémontrc nabij Laon. In 1134 reeds is er in de omgeving het klooster van
Berne. De kloosterlingen houden zich naast het beschouwende leven bezig met
landbouw en verbetering van de bodem. Van een grootscheepse
ontginningsactiviteit valt geen spoor te bekennen, hoewel zij het aanzicht van
de omgeving van Berne door dijkaanleg ingrijpend hebben gewijzigd. Zeer spoedig
werden ook de bediening van een aantal parochies aan de west- en oostzijde van
de stad toevertrouwd, zoals Engelen (1285) en Bokhoven (1363/1369), Berlicum
(1240) en Heeswijk (12d8). In 1231 is de abdij van Berne zelfs het
patronaatsrecht in Den Bosch en Orthen geschonken door de Brabantse hertog (zie
bijlage 6). Deze kloostergemeenschappen van Berne en Porta Coeli waren duidelijk
gericht op een agrarische samenleving. De nieuwe tijd met zijn handel, zijn
geldverkeer en zijn stedenvorming vraagt om een heel andere, originele
armoedebeleving. De Italiaan Franciscus en de Spanjaard Dominicus spelen hierop
in. Zij begrijpen, dat tegenover de stijgende rijkdom binnen de stedelijke
samenleving het evangelische ideaal van onthechting duidelijk moet worden
gesteld. Vrijwillige totale armoede zien zij als de beste houding. Zij doen
afstand van alle persoonlijk bezit en eisen dit ook van hun volgelingen. Deze
worden naar de verschillende handelscentra gestuurd met de opdracht: ga te voet,
in evangelische armoede zonder geld en vraag onderweg gastvrijheid.
Een huis met erf
genaamd die Capel
In de opdrachten,
voorkomend in het Bosch Protocol R 1188, blad 43 vso, van 10 december 1412, R
1189, blad 365, van 28 mei 1416 en R 1800, 's-Bosch, vonnisboek blad 3, van
1419, waarvan de teksten als bijlage zijn opgenomen, wordt genoemd `een huis met
erf genaamd die Capel en verder aanbehoren... met verder een gang of pad bij dat
huis behorend...' Deze omschrijvingen zijn zeer reëel gesteld. Het zijn
notariële stukken. Wij staan er misschien wat onwennig tegenover. Wij kennen
noch de situatie waarvan sprake is, noch de personen, die genoemd worden. De
tijdgenoten wisten precies, wat de bedoeling was en waarvan sprake was. Men kan
daarom veilig aannemen, dat het hier bedoelde `huis en erf ooit de functie van
kapel heeft gehad. Op een bepaald tijdstip is deze kapel buiten gebruik gesteld
en aan derden verkocht vermoedelijk vóór zaterdag na Sacramentsdag in het jaar
1382. De omschrijving van terreinen, bebouwing en hun onderlinge situering komt
nogal rommelig en ingewikkeld over. In andere soortgelijke opdrachten is dit wel
eens duidelijker geformuleerd, maar dan geeft de situatie daar ook aanleiding
toe. Hoe een dergelijke overeenkomst ook is geformuleerd, voor de betrokken
tijdgenoot is het begrijpelijke taal.
Men kan aannemen dat de in
het voorgaande omschreven tonput dezelfde put is als die genoemd wordt in de
schepenakten van 17 juli 1562 en 9 juni 1588 (SvY, 11 74-75). De genoemde
passage tussen achtertuin en Waterstraat wordt op 30 maart 1574 omschreven als 'eene
poirte bij de Loeffbrugge' (SvY, 11 75). En met deze `poirte' wordt weer
hetzelfde aangeduid als de `gang of pad bij dat huis behorend', waarvan sprake
is in de aangehaalde 14e-eeuwse transacties. De genoemde passage, 'poirte', gang
of pad heeft dus eens behoord tot het `huis en erf die Capel'; de beschreven put
lag er dicht bij.
Huis en erf gekocht van
de minderbroeders
De elementen, die bij de
oudst bekende opdrachten een rol spelen zijn: een huis en erf, tesamen die Capel
genaamd, een toegangsweg vanaf de straat en een tuin. Dit zijn de elementen die
op 10 december 1412 overgedragen worden. Bijzonder is dat ze alle gelegen zijn
`binnen de woning van Engbert Ludinck van den Dijk'. Met dit `binnen' wordt een
oudere, voor betrokkenen, vertrouwde situatie gekenmerkt. Deze opmerking
rechtvaardigt de conclusie dat hetgeen overgedragen wordt samen met omliggende
erven, deel heeft uitgemaakt van een grotere eenheid. De eerste bekende eigenaar
is Gerrit van Amstel, zoon van wijlen Henrick van der Schaut. Deze Gerrit
verkreeg het tegen cijns en droeg het weer over aan Heer Art Dickbier. Via
Engbert Ludinc van den Dijk verwerft Jan, zoon van Engbert Ludinc van Uden het,
die het op 10 december 1412 overdraagt aan Jan Zerijszoon van Erpe. Na diens
dood werd het op 28 mei 1416 overgedragen aan Willem Lu, zoon van Matheeus.
Een van de begrenzende
percelen die zoals wij aannemen tot het oorspronkelijke perceel hebben behoord,
is `de erve van Art Haec'. Bij de opdracht van 10 december 1412 wordt dit reeds
als begrenzing genoemd. Bij een overdracht op 31 januari 1444 n.st. waarbij
Ghijsbert Haeck zoon van Aert Haeck zijn helft in dit erf - dan genoemd huis,
erf en hof - opdraagt aan zijn zus Lysbeth, staat als bijzonderheid vermeld, dat
Aert Haeck dat huis gekocht had van de minderbroeders. Nu kan de vraag worden
gesteld of de oorspronkelijke grotere eenheid ook in het bezit is geweest van de
minderbroeders en wat dit voor een kapel zal zijn geweest.
Verstedelijking buiten
de stadsmuur
De vondst op deze plaats
in onze stad van een oratorium of een kapel die voor het einde van de 14e eeuw
reeds buiten gebruik is gesteld, is niet enkel als een merkwaardige, maar ook
als een zeer verrassende ontdekking te beschouwen. Een kapel op deze situatie
was tot op heden onbekend. In het voorgaande is het proces van verstedelijking
van het oorspronkelijk agrarisch gebied geschetst. Wij hebben de Lombarden leren
kennen als eerste bewoners van dit gebied na het vertrek van de agrariërs.
Besproken zijn ook de activiteiten die deze Lombarden verrichten, namelijk
bezigheden rond de geldhandel. Voor een onderzoek naar deze kapel is vroeg
archiefmateriaal nog niet voorhanden. Willen wij er desondanks iets meer van
weten, dan zijn wij aangewezen op wat de situatie zelf ons nog kan vertellen en
op mogelijk vergelijkend onderzoek.
Wij nemen aan dat het
verstedelijkingsproces van het gebied rond de nog jonge 12e eeuwse
handelsnederzetting in principe concentrisch verloopt. De eerste aanzet tot
stedelijke bebouwing zal tot stand komen buiten de oudste omwalling of ommuring
voor de stadspoort. Zo kan men de al besproken Jodenbuurt voor de Antwerpse
poort, Jericho, beschouwen als de eerste stedelijke aanzet buiten de stadsmuur.
De bouw is te dateren in het begin van de 13e eeuw. Spoedig volgen de eerste
Lombarden. Deze vestigen zich, zoals wij gezien hebben ter plaatse van het
Lombardje. Hun komst kan zijn samengevallen met de bouw van de Leuvense poort,
de overplaatsing van het Hof van Brabant en de bouw van het Groot
Ziekengasthuis. Een en ander is te dateren in het eerste kwart van de 13e eeuw.
In de eerste helft nog van die 13e eeuw volgt de bouw van enige weerbare huizen
en mansio's op het terrein dat ten zuiden aan het Lombardje grenst. Het blok is
omgracht en de grachten zijn aangehaakt op een aanwezige waterloop. Het water in
de gracht is te regelen door middel van enige sluisjes (zile). Aan het einde van
de 13e eeuw zal een tweede golf van Lombarden het Lombardenhuis stichten aan de
rand van de Hulst en dit gebied door middel van een nieuw te bouwen brug, de
Lombardenbrug, verbinden met het eerste gebied.
Handelsroutes en
minderbroedersvestigingen
De stichting van een kapel
of oratorium in onze stad in een zodanig vroeg stadium kunnen wij zien tegen de
achtergrond van de snelle verspreiding van de jonge bedelorden over geheel
Europa tot het jaar 1228; men neemt gewoonlijk aan dat de minderbroeders zich in
dat jaar definitief in 's-Hertogenbosch vestigen. Deze eerste jaren van
verspreiding en uitzending van de eerste volgelingen door Franciscus, zelf zoon
van een lakenkoopman, en door Dominicus, kanunnik, zijn niet enkel illustratief
voor beiden en hun jongste organisaties, maar ook voor het karakter van de
steden waar zij zich vestigen.
De volgelingen van
Franciscus, de minderbroeders, zwermen alle kanten uit. Als men hun vroege
stichtingen bekijkt, dan valt het op, dat zij langs de bekende handelsroutes
gelegen zijn. In 1221 trekt een groep minderbroeders langs de reeds eerder
genoemde noord-zuid-route vanuit Italië de Alpen over. Het is de tweede zending;
zij zijn nu beter toegerust en voorbereid. Hun leider is Caesarius, geboren te
Spiers. Er zijn enige Duitsers in het gezelschap onder wie Clericus, twee
lekenbroeders en Barnabas, een goed predikant. Tot de groep behoren ook Johannes
van Piano di Carpine, Thomas van Celano en Jordanus van Giano. De beide laatsten
hebben hun bevindingen op schrift gesteld. Caesarius laat zijn broeders eerst
nog voor een paar maanden in Lombardije en roept ze tegen het einde van
september naar Trente samen. Half oktober zien ze elkaar weer in Augsburg, waar
zij het eerste kapittel van de Provincia Theutonia (van Duitsland) houden. Met
31 broeders zijn zij nu. Van Augsburg worden zij verschillende kanten
uitgezonden. Johannes van Piano di Carpine en Barnabas volgen de Rijnroute naar
het noorden, overal als het ware hun sporen achterlatend: een vestiging te
Straatsburg, Spiers, Worms, Mainz en tenslotte Keulen, alles nog in 1221 (zie
bijlage 7). Terwijl binnen het aartsbisdom Mainz deze golf van
minderbroeders-stichtingen nog enige jaren voortduurt, volgt er in het Keulse
aartsbisdom na 1221 een zekere stilte. In 1223 wordt hun definitieve regel door
paus Honorius III goedgekeurd. Daarna ziet men opnieuw een golf van
minderbroeders-vestigingen vanuit Keulen ontstaan. Ten noorden van de taalgrens
zijn dat achtereenvolgens: 1225 Brugge en Gent; 1226 (1266) St. Truiden en
Tienen; 1228 Leuven, Diest en 's-Hertogenbosch; 1228 (1231) Brussel. Uit de
kroniek van Jordanus worden wij gewaar, dat Johannes van Piano di Carpine in
1228 provinciaal werd van de provincie Theutonia en dat hij zich in Lotharingen
gevestigd heeft.
Van noodhuisvesting tot
kloosterbouw
Men moet zich niet
voorstellen, dat deze vestigingen onmiddellijk over een klooster konden
beschikken of plannen uitwerken om een klooster te bouwen. Gezien het streven
zich telkens in groepen van drie of vier te vestigen en bij het groter worden
van de plaatselijke groep zich weer op te delen en naar andere steden te gaan,
lag het veelal lang uitblijven van een eigen kloosterbouw in deze eerste
vestigingsplaatsen zelf voor de hand.
De arme levensstijl en de
kleine omvang van de broedersgroepen maakten dat een vestiging in of vlak bij de
stad heel eenvoudig te regelen was. Er waren geen grote landgoederen nodig. De
eerste broeders hebben overal gewoond, in de sacristie van oude kapelletjes, in
leegstaande huizen of schuren. Jordanus van Giano zegt in zijn kroniek: `Ik weet
niet wat een klooster is. Bouw ons een huis. Het enige wat ik belangrijk vind
is, dat het vlakbij het water ligt; dan kunnen wij er gemakkelijk instappen om
onze voeten te wassen!' Men mag pas veronderstellen dat men tot de bouw van een
klooster komt, wanneer de situatie stabiel wordt. Het typeert tevens een
ontwikkelingsfase binnen de orde. Omstreeks 1260 werd de beweging sterk, die
terwille van een meer geregeld kloosterlijk leven, een beter verzorgde liturgie
en prediking, streefde naar groepen van groter omvang dan de drie of vier
broeders van het begin. De groei van de orde komt dan meer tot uiting in het
groter worden van de conventen dan in het zoeken van nieuwe vestigingsplaatsen,
die niet meer zo talrijk zijn als in de eerste decennia. Deze stabiliseringfase
neemt men ook in 's-Hertogenbosch waar. In 1263 wordt een kapel - en ook het
nieuwe klooster? - plechtig ingewijd, niet op het terrein hier tussen de
Lombarden, maar op een totaal nieuwe locatie ter plaatse van het tegenwoordige
Minderbroederplein.
Het is begrijpelijk, dat
er verschil is tussen de Alpen overstekende en zich over Europa verspreidende
Cahorsins of Lombarden en de idealistische Lombarden, de zogenaamde minoriten.
De eersten zijn harde zakenlieden uit op winst en geldbejag; de anderen preken
armoede en soberheid. Beiden hebben dezelfde taal, dezelfde cultuur en dezelfde
leefgewoonten. Enkel al uit praktische overwegingen zullen deze `minderen' de
bekende handelsroutes volgen en zullen zij de anderen in vreemde plaatsen
opgezocht hebben. Mogelijk zijn het niet alleen deze verwantschap en taal die
vestiging van deze `minderen' te midden van deze geldhandelaren bevorderen, maar
is het vooral het evangelische ideaal van totale armoede en desondanks
levensgeluk te midden van deze tot materialisme neigende lieden. Dat is
franciscaans.
De missie onder Joden,
moslims en heidenen was en is een wezenlijk bestanddeel van de geestelijke
werkzaamheid van de bedelorden. Voor Franciscus was de missie zo zeer deel van
zijn verkondiging, dat hij de missie zelf ter hand nam en als eerste
ordestichter uitdrukkelijk in de regel opnam. (Lexikon des Mittelalters I,
Miinchen und Zurich (Artemis Verlag) 1980). De eerste vestigingen van deze
minderbroeders in genoemde handelscentra illustreren de relaties tussen broeders
en handelaren. Op deze wijze vormen de minderbroeders een soort barometer voor
de geldhandel.
De betekenis van
's-Hertogenbosch is in vergelijking met vele andere jonge handelscentra in het
begin van de 13e eeuw aanzienlijk. Natuurlijk is de stad geen Gent, Keulen,
Parijs of Londen, maar zij behoeft niet onder te doen voor Hamburg, Antwerpen en
Lubeck. Het aantal Lombarden in de stad is groot genoeg om in hun directe
omgeving een eenvoudige huisvesting annex een oratorium op te zetten en in stand
te houden. Ook al zijn er enkele Rijnlandse volgelingen in hun midden, de taal
vormde voor de Lombardische broeders een barrière voor hun contacten met de
stedelingen, hoe internationaal deze overigens ook geweest mogen zijn.
Aanvankelijk zullen deze contacten dan ook beperkt zijn gebleven tot hun
Lombardische landgenoten die de armoedebeweging vanuit het moederland kenden. De
aanwezigheid van minderbroeders met een eigen oratorium buiten de oude stadsmuur
zal bij de plaatselijke bevolking niet onopgemerkt zijn gebleven. Hun simpele
levenswijze zal niet enkel bij hun in overvloed badende landgenoten, maar ook
bij de Bossche burgers bewondering hebben gewekt en zelfs navolging hebben
gekregen. Zo groeide en consolideerde zich de franciscaanse beweging ook buiten
Italië. Het intreden van de eerste autochtonen maakte de verbreiding en groei
mogelijk. Wanneer het ideaal van Franciscus blijft bezielen en plaatselijk jonge
stedelingen blijft aanspreken, wordt het mogelijk de vestigingen in de moderne
handelscentra over geheel West-Europa een vaste basis te geven en uit te
breiden. Misschien is het na het bovenstaande niet meer zo gewaagd te
veronderstellen: dat op het terrein de Kapel of die Capelle genoemd in de
opdrachten d.d. 10 december 1412, 28 mei 1416, 1419, 31 januari 1444 en 11
januari 1445, eens een kapel of oratorium heeft gestaan, waarbij een grote
drinkwaterput; dat deze kapel of dit oratorium vanaf 1228 als trefpunt is
gebruikt door de Lombardische minderbroeders en hun landgenoten; dat de
bebouwing bij deze kapel dienst heeft gedaan als een hospitium, waarop de
broeders en wellicht ook hun landgenoten konden terugvallen tijdens hun tochten
langs de handelswegen; dat dit oratorium c.a. is verlaten en opgegeven toen de
minderbroeders hun definitieve klooster betrokken, ongeveer in 1623.
|
|
Bronnen
's-Bosch R. 1188 blad 43
vso Bosch Protocol
Jan zoon van wijlen
Engbert Ludinc van Uden heeft verkocht aan Jan Zerijszoon van Erpe: een huis met
erf genaamd `die Capel' met tuin en aanbehoren van wijlen Heer Art Dicbier,
ridder, gelegen in Den Bosch binnen de woning van Engbert Ludinc van den Dijk
tussen erf van wijlen Heer Art ene zijde en het water die Dyese ander zijde,
strekkend tot erven van Henrick Meester en Henrick van den Putte, met daarbij
een weg of pad bij dat huis met erf behorend, als aldaar gelegen en zoals bekend
is daartoe behorend, welk huis en erf met de toegangsweg gezegde Heer Art van
Gerit van Amstel zoon van wijlen Henrick van der Schaut tegen cijns had
verkregen, en dat nu is gelegen tussen Art Haeck ene zijde en Claes der Kijnder
des plaetmakers andere zijde en strekkend achterwaarts tot erf van wijlen Vrouwe
Katelijn van Mordrecht zoals nu aldaar in zijn geheel gelegen, met beloften etc.,
behoudens de betaling van een cijns van 6 pond 's jaars. Testes Uden et Aa,
datum in crastino concepcionis (10 december) 1412. Leunis van Erpe belooft mede,
zelfde datum.
's-Bosch R. 1189 blad 365
Bosch Protocol
Dirck van Driel als man
van Hadewig dr. wijlen Jan Zerijss van Erpe: een huis met erf genaamd die Cappel
en tuin en verder aanbehoren, gelegen in Den Bosch binnen de woning van wijlen
Engbert Ludinc van den Dijk, met het erve van wijlen Heer Art Dicbier, ridder,
aan de ene zijde en die Diese aan de andere zijde en strekkend tot erven van
Henrick Meester en Henrick van den Putte; met verder een gang of pad bij dat
huis behorend; welke erven nu liggen tussen de erve van Art Haec en erve van
Claes der Kijnder des plaetmekers, en strekkend achterwaarts tot erve van wijlen
Katelijn van Mordrecht; dat was verkocht aan gezegde wijlen Jan Zerijss van Erpe
door Jan zoon van wijlen Engbert Ludinc van Uden, als bij brieven, dragen zij
over aan Willem Lu zoon wijlen Matheeus, met de brieven, beloften etc. met
garantie wegens eventuele andere erfgenamen van wijlen Jan Zerijss. Willem Lu
belooft betaling van 50 gulden (van 36 plakken) (deze acte doorgekruist) Wouter
van Baex doet afstand van recht van vernadering.
Datum ut
sapra = crastino ascencionis = 28 mei 1416.
's-Bosch R. 1800
Vonnisboek blad 3 (= 1419)
Gerrit die Wael zn.w. Gijb
was gericht aan een huis met erf genaamd die Cappel, gelegen over de
Loefsbrugghe, achterwaarts vlak naast huis en woning van wijlen Engbert gezegd
Ludinc van Dijk (de aggere); in welke woning Heer Henrick van Mordrecht ridder
tegenwoordig - d.w.z. ten tijde van de cijnsverkoop - woont; en tevens aan de
tuin gelegen naast dat huis die Capell en aan een weg behorend bij dat huis die
Capelle, aldaar, van de straat gaande naar 't huis die Capelle; wegens defect
van betaling van een cijns van 6 pond, die Meeus van Berghen, Snijder, gekocht
had van Gerrit van Amstel de zoon van wijlen Hendrick van der Schaut bij brieven
van Zaterdags na Sacramentsdag in het jaar 1382. Welke cijns Gerrit opdraagt op
heden -= 1419 - aan zijn zoon Meeus.
's-Bosch R. 1214 blad 43
31 januari 1444 n.st. Bosch Protocol
Ghijsbert Haeck z.w. Aert
Haeck heeft opgedragen aan zijn zuster Lysbeth dr.w. Aert Haeck de helft in een
huis, erf, en hof in een straatje, dat van Colperstraet loopt naar de mansio van
Aert van Beke tegenover 't huis van Jorden Aert Tyelkens tussen Aert Beerwout,
zadelmaker, en't erf `Die Capelle' vroeger van Lijsbeth, wed. van Jacob van Uden
(nu van Mechtelt, wed. van Engbert Ludync van Uden), van het straatje tot een
erf van de Vrouwe van Mordrecht. Aert Haeck had dat huis gekocht van de
minderbroeders.
's-Bosch R. 1215 blad 31
11 januari 1445 n.st. Bosch Protocol
Meeus die Wael z.w. Gerit
die Wael Ghijsbrechtsz en Lysbeth Meeus van Borghem snijder, heeft opgedragen
aan Gerit van Tuyl, brouwer nat.z.w. Gerit van Tuyl een cijns van 6 pond payment,
half op St. Jan en half op Kerstmis, uit een huis en erf `Die Cappel' over
Loefsbrughe achterwaarts naast't woonhuis van W. Engbert Ludinc van den Di jck
en uit een hof van 't huis `Die Capelle'.
Meeus had die cijns
gekocht van Gerit van Amstel z.w. Henrick van der Schaut Rutger van Geldrop doet
afstand van die cijns.
|
Literatuur
 | Adresboek voor
's-Hertogenbosch, bewerkt volgens officiële gegevens 1928, (P. Stokvis en
Zoon) 's-Hertogenbosch 1928 C.G.M. Bak ofm `Minderbroeders komen naar Den
Bosch (1228)' in: 750 jaar minderbroeders in Nederland, 1, 1228-1529, Utrecht
1978 |
 | H.P.H. Camps
Oorkondeboek van NoordBrabant tot 1312, 's-Gravenhage 1979 H. van Dijk `Een
klooster uit het BrabantsHollandse rivierengebied: de Abdij Berne en haar
materiële betekenis in de middeleeuwen', in: Bernensia, XIV, 1970 |
 | Edith Ennen Die
europäische Stadt des Mittelalters, G~ttingen 1975 J. H. van Heurn Historie
der stad en Meyerye van 's-Hertogenbosch, 1-1V, Utrecht 1776, heruitgave
's-Hertogenbosch 1974 J.A.M. Hoekx Inventaris van het archief van de Rijke
Clarissen te 's-Hertogenbosch, (niet in de handel) |
 | Ludger Horskötter
o.praem. Der heilige Norbert und die Präimonstratenser. Die Kirchliche
Erneverung im 12 Jahrhundert und in der heutigen Zeit, Duisburg-Hamborn 1978 |
 | Alph.W. van den Hurk
Norbertus en zijn Orde: tot ieder goed werk bereid, (Berne XXXV)
Heeswijk-Dinther 1982 Inventaris der oorkonden afkomstig van het Jezuïeten
College te 's-Hertogenbosch', in: Verslagen omtrent 's Rijks oude archieven,
XVI (1893), Den Haag 1895 J. de Jong Handboek der Kerkgeschiedenis, 1-1V,
Utrecht, Nijmegen, Antwerpen, Brussel, Leuven 1936 Kadastrale minuteplan van
's-Hertogenbosch (± 1823), Uitgave Boschboom 1969 J.A. de Kok, ofm
`Minderbroeders in Nederland: de eerste provincie 1228/39-1529j' in: 750 jaar
minderbroeders in Nederland, 1, 1228-1529, Utrecht 1978 Jan Mosmans en Alph.
G.J. Mosmans Oude namen van huizen en straten te 's-Hertogenbosch,
's-Hertogenbosch 1907 J.F. Niermeyer `Het klooster Berne en de |
 | Ontginning van de
Oostelijke Meierij omstreeks 1200', in: Ceres en Clio, Wageningen 1964 |
 | A.F.O. van Sasse van
Ysselt De voorname huizen en gebouwen van 's-Hertogenbosch, 1910, II-74,
II-156 |
 | L.H.Ch. Schutjes
Geschiedenis van het Bisdom 's-Hertogenbosch, I-N, 1973 F. Smulders en drs. M.
Spierings Fiches op het Bosch Protocol over de jaren tot 1500, Rijksarchief in
Noord-Brabant |
 | C. Tihon 'Apercus sur
l'établissement des Lombardes dans les Pays-Bas aux XIIIe et X1Ve siècles',
in: Belgisch tijdschrift voor |
 | Filologie en
geschiedenis, deel XXXIX, 1961, p. 334-364 |
 | F. Vercauteren
`Document pour servir à I'histoire des financiers Lombard en Belgique 1309',
in: Bulletin de l’institute historique Belge de Rome, XXVI, 1950-195 1, p.
43-67 |
 | C. van der Walle
Siardus Bogaerts, de prior en zijn monasterius te Huijbergen 1614-1670,
Tilburg 1980 Hans Welters en Helmut Lobeck Kleine illustrierte Geschichte des
stadt Kóln, Kdln 1976 |
 | De locatie van de
tonput in de voormalige achtertuin aan de Waterstraat. Fragment van het
kadastraal plan der Gemeente 's-Hertogenbosch, 1823. |
|
| |
|
|