|
|
|
|
Deze pagina is voor een groot deel ontleend aan het onderzoek van Nico van Dinther. Uit Grepen uit de Geschiedenis van Dinther 1139-1989, door J. van der Leest, uitgegeven naar aanleiding van het 850 jarig bestaan van Dinther. De heraldiek zoals die ons nu bekend is, vindt haar oorsprong voornamelijk in de elfde eeuw als een herkenningsteken van een persoon of groep van personen op een slagveld. Het heraldisch wapen moet voldoen aan een aantal kenmerken waarbij kleuren belangrijke elementen zijn. Een grondregel die hierbij in acht moet worden genomen is dat men geen metaal op metaal en geen kleur op kleur mag gebruiken. Van de familie van Dinther, in de 14e eeuw, is het nodige bewaard gebleven. De basisfiguur in het wapen wordt gevormd door het zogenaamde vierblad. Algemeen in de verhouding 2 : 1. Dit wil zeggen dat op het wapenschild bovenin 2 figuren zijn te onderscheiden en daaronder - in het puntige deel - 1 figuur. Op bewaard gebleven zegels zijn fraaie voorbeelden te zien. Binnenkort zullen op deze pagina diverse zegels en andere heraldische tekens te zie zijn van de familie van Dinther.
Zegelafgietsel nr. 27823 17 mei 1355 (ARA Brussel)
Alle elementen op de kleur na, die een heraldisch wapen kan bevatten hebben in het zegel op een zeer fraaie wijze gestalte gekregen. Over de gevoerde kleuren zijn wij uit een latere tijd geïnformeerd. De bekende wapenkaart in het kasteel van Helmond van 1600 vervaardigd door Jean Baptist Zangerius ten behoeve van de aartshertog Albert en aartshertogin Isabella, vertoont een variatie op hierboven beschreven wapen en geeft de volgende kleuren weer: het veld rood en de vierbladen van zilver. De variaties in de wapens worden ook wel breuken of brisuren genoemd en worden gebruikt ter aanduiding van bijvoorbeeld een jongere of zijtak van het geslacht. Een voorbeeld van een wapenvariatie is die van Roelof van Dinther (knape) uit het jaar 1374. Naast de drie "vierbladen" is in het midden van het schild een vijfpuntige ster herkenbaar als breuk of brisure. Het zegel hangt aan een kwitantie vanwege een schadeloosstelling vanwege deelname van Roelof van Dinther aan de Slag bij Baesweiler. Zegelafgietsel nr. 21860 uit 21 december 1374 (ARA Brussel)
Jonker Arnold de ROOVER Dirkszn., ridder, schepen in 1349 en 1355. Hij was gehuwd met Catharina Berthout gezegd van Berlaer, dochter van Lodewijk, heer van Helmond en Keerbergen, en van Johanna van Dinther. Na het overlijden van haar zou hij nog zijn hertrouwd met Maria van Leyenberg Gerardsdr. De Roover was lid der Lieve-Vrouwe-broederschap en verwisselde het tijdelijke met het eeuwige in 1384
Uit Bossche Zegels: http://www.rat.de/kuijsten/zegels/z027.html
Jan van Dinther Zoon van Ambrosius-Emondsz. van Dinther en was amman of schout van Antwerpen. Het afgebeelde wapen is onderdeel van een gebrandschilderd raam in de Onze Lieve Vrouwe Kathedraal van Antwerpen. Foto: Peter van Dinther
Zegel van Paulus van Dinther uit 1384
In de eerste helft van de veertiende eeuw schreef de Antwerpse schepenklerk Jan van Boendale zijn Brabantsche yeesten. De eerste versie van de kroniek was gereed in 1316 en omvatte zo'n twaalfduizend verzen, verspreid over vijf boeken. De tekst bestond uit een bloemlezing van de Brabantse passages uit de Spiegel historiael van Jacob van Maerlant en een gedeeltelijke vertaling van de Chronica de origine ducum brabantiae. In de jaren die volgden bleef Boendale aan zijn tekst werken. Hij vulde zijn tekst aan met behulp van andere historiografische teksten - onder andere van Lodewijk van Velthem - en hij beschreef zelfstandig de gebeurtenissen in het hertogdom Brabant tot het midden van de veertiende eeuw.
In het tweede kwart van de vijftiende eeuw werd de kroniek van Boendale voortgezet door een anonieme dichter achter wie mogelijk de Brabantse hofzanger-kapelaan Weinken van Cotthem (ca. 1390-1457) schuilgaat. In het Zoniënwoud bij Brussel berijmde hij het materiaal dat hem werd aangereikt door de Brusselse stadspensionaris Petrus de Thimo en de hofambtenaar Emond de Dynter. Het zesde boek, handelend over de regeerperiode van Johanna en Wenceslas (1356-1406), was gereed in 1432. In 1441 volgde ook het zevende boek waarin de gebeurtenissen werden beschreven die hadden plaatsgevonden onder de Brabantse hertogen van Bourgondische afkomst: Antoon, Jan IV en Filips.In het kader van het editieproject rond de Brabantsche yeesten werd op 15 februari 2001 een studiedag georganiseerd aan de K.U. Brussel en de Koninklijke Bibliotheek Albert I, bedoeld voor de studenten die bij het project betrokken zijn. Remco Sleiderink gaf 's ochtends eerst een inleiding over het ontstaan van de Yeesten. Het spannendste deel van de studiedag vond plaats in de Koninklijke Bibliotheek waar de belangrijkste handschriften van en rond de Brabantsche yeesten konden worden bestudeerd. Hieronder worden ze nog eens opgesomd: IV 687ca. 1440. Eigenhandige, historiografische aantekeningen van Petrus de Thimo met daartussen De mutatione van de hand van Emond De Dynter (f. 20-25). Als deel van een groter geheel ook Carmen in laudem Brabantiae van Henricus de Oesterwijck / Henricus Custodis (f. 45r-45v).
In het familiewapen register van het Nederlands genealogisch Bureau is bijgaand wapen opgenomen. Het gaat hier over een wapen dat ontwikkeld is voor Elisabeth van Dinther, rechtstreekse afstammelinge van Willem van Dinther 1664-1712 (Geffen) en Hildegonda van Aelsfoort.
Uit de stamreeks van Elisabeth van Dinther
blijkt:
|
U kunt een e-mailbericht met vragen of opmerkingen over deze website verzenden aan
pvandinther@chello.nl.
|